De hoogste skilift, de hoogste koorts

… En heel ver weg…

Levensles voor een stukjesschrijver: HIMALAYA TOPPEN ZIEN EN DAN (bijna) STERVEN

De hoogste skigondel ter wereld. Witte hemel op aarde. Tonnen maagdelijke poedersneeuw in de ijzige koude van de Himalaya. De tergend lange reis naar Kashmir zou de moeite waard zijn. Het liep voor Rob Hammink allemaal een tikkeltje anders. Met de hartelijke dank aan hoogteziekte én een kip tandori van ver boven de houdbaarheidsdatum.

Smoezelige gordijnen met bruine onherleidbare vlekken proberen de brandende zon buiten te houden. De kamer van hotel Hill Top omsluit een schemerige wereld waarin ik noodgedwongen de hoofd- en alle bijrollen speel. Titel van deze dramatische éénakter: ’Het laatste uur’. In de verte hoor ik „Good enjoy sir?” Nog geen vijf minuten geleden viel het loodzware katoenen dekbed me nog aan als een wild bloeddorstig dier. Door mijn oogwimpers zie ik aan het eind van de tunnel het nachtkastje dat meer weg heeft van een medisch altaar waarop zes soorten medicijnen me aanstaren.

Diamox tegen hoogteziekte,Norit tegen de bedorven kip, paracetamol tegen de bonkende hoofd- en gewrichtspijnen, geleende slaappillen, imodium tegen diarree en ORS tegen uitdroging. Wat dit allemaal met skiën heeft te maken? Alles! Tenminste: als je kiest voor de kroon van India.

De ervaring leert inmiddels dat je met alpinist Ronald Naar altijd een beetje moet uitkijken voordat je ja zegt tegen één van zijn wilde plannen. Het is nooit eens: laten we op ski’s Zwitserse schapen gaan tellen en daarna ondeugend een glaasje bier drinken… Met aan fatalisme grenzende avontuurzucht is het de laatste jaren steeds vaker: „Daar heeft een oorlog gewoed, geweldig gebied om eens te bezoeken man. Slalommen langs de landmijnen. Here we come.” Nu is het dus op uitnodiging van het Indiase verkeersbureau Kashmir, het omstreden gebied tussen de atoommachten en aartsrivalen Pakistan en India. Kashmir. Het klinkt als fluweel waar de klassieke taal Sanskriet tot leven kwam en als je het fluistert, staat Kashmir voor zachte, gekeperde geweven stof waar de PC Hooftstraat vol mee hangt. De keiharde historie van het gebied rekent echter af met eenzijdige lieflijkheid. Kashmir viel na het vertrek van de koloniale Brit, die het vooral als koele zomerplaats gebruikte, in 1947 ten grabbel van islamitisch Pakistan en hindoeïstisch India. Je hebt nu dus twee Kashmirs: Azas Kasjmir, Gilgitin en Skardu aan de Pakistaanse kant en de Srinigar-vallei en Ladakh aan de Indiase kant.

Buitengewoon positief: het vredesteken maken in een gebied dat zwanger is van een bloederig oorlogsverleden.

Met Ronald Naar moet je uitkijken voordat je ja zegt tegen één van zijn wilde plannen. Het is nooit eens: laten we op ski’s Zwitserse schapen gaan tellen en daarna ondeugend een glaasje bier drinken…

In Srinigar, de hoofdstadvan Kashmir, waar 250.000 militairen alle hoeken en gaten vullen, uit angst dat de moslimguerrilla’s toeslaan, laat de 52-jarige Sikander Malik bij onze aankomst zijn kapot geschoten onderbeen zien. „In 1994 gebeurd. De Indiase overheid zag velen van ons aan als militanten. Gelukkig is het momenteel rustig en zijn de gevechten alleen nog in de bergen. U zult geen last hebben tijdens het skiën”, belooft de man.

Vliegend van Amsterdam naar Milaan, door naar New Delhi en dan aansluitend naar het witte Srinigar, tenminste: dat was de bedoeling. Na ruim een uur zijn we boven de plaats van bestemming, maar we worden in de wacht gezet en cirkelen zo bijna een uur boven onze bestemming. Twee uur later zitten we weer in Delhi. Morgen nieuwe kansen. „Kashmir is afgesloten van de wereld”, meldt het CNN-geweten.

Woonbootjes als skihotels aan de voet van de witte bergen.

De volgende dag sleep ik mijn gehuurde skiset weer naar het vliegveld. De brandnieuwe ski’s en superstijve schoenen, die met veel aandacht zijn uitgezocht bij het Amersfoortse Wim Jaquet All Sports, zijn in Amsterdam achtergebleven nadat Naar ze had afgekeurd. „Prima spul, maar je hebt comfortabele schoenen met loopreliëf nodig en loopbindingen. Als je niet tot je ballen in de sneeuw wilt wegzakken, zijn iets bredere ski’s nodig. In India zijn geen skipistes zoals in de Alpen, elke meter ski je off piste.”

Alsof je in Venetië bent. Gondels voor je skihotelletje.

Srinigar airport is open! Het weer is schitterend als we onderdak zoeken in een exemplarische woonboot, die hier in Lake Dal rij aan rij liggen en de meest meeslepende namen als Hollywood, Little Hollywood en Broadway dragen. Langzaam dienen de eerste hoofdpijn en gewrichtspijnen zich aan. De verhalen van drie Ieren, die ook een plek hebben veroverd in ons drijvende handgemaakte hotel, voorspellen veel goeds. Bij de houtkachel zegt Niall Oliver: „De sneeuw is geweldig. Tot aan je middel komt het”, om daar met Iers

gevoel voor drama aan toe te voegen: „Daarboven heerst de ultieme vrijheid. We hebben nog nooit zo lekker geskied.” Ondertussen heerst vooral de ultieme lichamelijke ellende, omdat we geen moment voor de broodnodige acclimatisatie hebben ingebouwd. Mijn bloed lijkt zich als stroop door de aderen  heen te pompen, maar ik ben niet de enige die lijdt. „Het is alsof een olifant op mijn hoofd heeft gescheten”, aldus Naar de volgende ochtend.

De weg naar boven, naar Gulmarg, het wintersportplaatsje dat op 2900 meter hoogte ligt, lijkt onveranderd ver weg. Karren met een paard ervoor, mannen in grauwe poncho’s, maar met een lichtgevende lach. Weinig vrouwen. Het leven is hard hier in de bergen. Veel drinken, doceert Naar. „Dat helpt op hoogte. Iedere duizend meter een liter extra.”

We hebben geluk. Vandaag is voor het eerst sinds weken de tweede lift naar de top ook open. Voor de goede orde: India en zijn skiverleden gaan terug naar 1902 toen de eerste skiclub werd opgericht. Pas in 1975 werd de eerste sleeplift aangelegd. Om internationaal toerisme aan te trekken begonnen de Indiërs in 1986 aan een nieuwe variant om die in 1989 uit te breiden met een heuse Poma-gondellift van Franse makelij. De bouw werd in 1990 gestaakt wegens grote onlusten in de grillige grensstreek. De bergen werden broeinesten van verzet en strijd. Pas in 1998 werd de lift afgebouwd en in 2004 bereikte de tweede etappe naar 4000 meter zijn eindpunt, het hoogste punt ter wereld, zo melden de borden hier trots.

Het restaurant komt nog niet echt in aanmerking voor een Michelin-ster.

In hotel Hill Top kleden we ons om en gaan snel wat eten. De vloer van de ruimte die als restaurant doorgaat, is bezaaid met verdroogde rijstkorrels en vettige vegen. Nog even doorzetten. Straks, daar boven op de berg, zal alles beter worden. Aangekomen bij de skilift proberen we bij een gat in het gordijn tickets te kopen voor twee euro per rit naar boven. „Ja u kunt ook met een creditcard betalen”, zegt een onzichtbare man. „Maar de machine doet het vandaag niet. En gisteren ook niet.” In moordend traag tempo schokt de gondel naar boven. De deur staat open omdat de snowboards van onze Duitse cabinegenoten volledige sluiting onmogelijk maken. Gevolg: een ijzige wind draait als een cycloop rond in de gondel wat de feestvreugde alleen maar verder neerslaat. Het blijkt de moeite waard. Bij het topstation ligt een witte maagdelijke wereld aan onze ski’s. Ik glijd mijn eerste meters en voel hoe de ski’s nerveus hun weg zoeken onder de sneeuw. Mocht er nog sprake zijn van enig zelfvertrouwen op de lange latten, de restanten zijn gisteren ergens op een woonboot achtergebleven. Ik voel me een broze, verdroogde tak die ieder moment kan breken en ga natuurlijk ongenadig onderuit. De sneeuw bijt zich als een roofdier vast in mijn nek. Ronald Naar wacht en komt tot de conclusie dat ik lijd aan hoogteziekte. „Je gezicht is ook wat boller”, zegt de berggoeroe. „Heb je verdomme wel genoeg gedronken?”

Ik voel me een broze verdroogde tak die ieder moment kan breken en ga natuurlijk ongenadig onderuit. De sneeuw bijt zich als een roofdier in mijn nek

Ook de marktkoopman blijft het ondanks de bijtende kou vrolijk inzien.

Om van het gezeik af te zijn, knik ik en klauter overeind om honderd meter dieper weer op mijn plaat te gaan. Eén ski schiet uit. Reis je vier dagen om in deze ellende terecht te komen. Het is ondertussen mistig geworden als ik de verloren ski probeer terug te vinden. Mijn hart bonkt met 170 slagen per minuut in m’n lijf. Het zal mijn eerste en laatste afdaling deze reis worden. „Good enjoy”, vraagt een vriendelijke Kashmiri als ik eenmaal door het dorp sjok. Wat zijn deze mensen lief! Wat zijn ze meelevend! En wat voel ik me ziek. Shakeel Ahmad legt een hand op mijn schouder en vraagt of ik thee wil. Ik zeg dat ik dood wil. Hij lacht en loopt mee naar het hotel waar ik onder een lekkend plafond twee dagen voor pampus zal liggen. Als hij de deur achter zich sluit, gooit hij met een typische Indiase hoofdbeweging, die het midden houdt tussen ja en nee, een wijsheid de kamer binnen. „Sir, het is niet het doel waar het om gaat, het gaat om de reis er naartoe.”

Met dank aan: Wim Jaquet Sports, Lange straat 111-115, Amersfoort.

Website: www.wimjaquetsports.nl

Door: Rob Hammink
Foto’s: Rob Hammink
Bron: Telegraaf

Stil, Stiller, Stilts,

Totale rust …

AUSTRALIË, het grootste eiland ter wereld

Betoota piepklein gehucht in ’Down Under’
Rob Hammink besloot, nadat hij vijf bekeuringen binnen twee uur ’scoorde’, ons land te verlaten. Hij reisde af naar Australië waar slechts 20 miljoen mensen wonen. In dit enorme land, met de afmeting van Europa, vond hij na veel spannende omzwervingen uiteindelijk het kleinste gehucht: Betoota.
WEG VAN VERKEERSBORDEN, files, te duur schepijs, te dure euro, flipperkasten waarin buitenaardse wezens elkaar afschieten met laserlicht en een exploderende stad. Rob Hammink besloot, nadat hij vijf bekeuringen binnen twee uur ’scoorde’, ons land te verlaten. Hij reisde af naar Australië waar slechts 20 miljoen mensen wonen. In dit enorme land, met de afmeting van Europa, vond hij na veel spannende omzwervingen uiteindelijk het kleinste gehucht: Betoota.


ONZE VERSLAGGEVER ZOCHT EN VOND HET KLEINSTE GEHUCHT VAN ’T IMMENSE AUSTRALIË

Op de kop af 400 jaar onderhoudt Nederland warme banden met Australië. 2006 staat in het teken van dit heuglijke feit. Om de vriendschap nog eens extra te onderstrepen, maar vooral om voor even verlost te zijn van files en te dure euro’s, ging Rob Hammink Down Under op zoek naar het kleinste gehucht op het grootste eiland ter wereld. Een fascinerend reisverslag in het teken van de complete stilte.

De horizon is ook vandaag in dit spookachtig droge land niet in te halen. Het rode zand komt bij iedere stap als een mini-atoombom even los van het miljarden jaren oude land om vervolgens weer te gaan liggen. Stap na stap, kilometer na kilometer. Doodvermoeiend, zeker als je constant moet opletten of er geen gifslang zoals een King Brown of Taipan je pad kruist.

De grote zoektocht naar rust, ruimte en regelmaat. We wilden per se het kleinste en rustigste plaatsje op deze planeet vinden. Wat bezinning, ook wel vlucht genoemd, als uitgangspunt had, werd natuurlijk weer een dwangmatig doel op zichzelf. Uiteindelijk leggen we 6000 kilometer af in tien dagen.

„Dan moet je in ieder geval Down Under”, wist reisorakel Joan Winkel in de vriendenkring toen ik weer eens klaagde over het nieuwe Politie Convenant waarin bromsnor wordt opgeroepen om in de vaart der volkeren en met een scherp oog op de staatskas bekeuring na bekeuring uit te schrijven.

„En dan het liefst naar de Outback, want dat is echt de puurste plek op aarde. Je hebt daar plaatsjes waar maar tien mensen wonen.” Vervolgens jongleerde Joan weer eens ongevraagd met zijn onnavolgbare kennis die hij volgens ons al jaren gewetenloos steelt uit de Lonely Planet. Hoe Australië een geologisch wonder is, het kleinste continent, maar het grootste eiland ter wereld (formaat Europa), 65 miljoen jaar geleden afbrak van het supercontinent Gondwanaland en zo een tergend langzame tocht naar de zuidelijke Indische Oceaan inzette. Hoe er maar 20 miljoen mensen wonen en dat deze mensen allemaal afstammen van gedetineerde Britten, eind 19e eeuw. Dat laatste klopt overigens niet helemaal.

De Outback van Australië won het van de binnenlanden van Borneo, van Noord-Siberië en van Zuid-Amerikaanse uithoeken.

Rustig blijkt op deze plek een understatement. En toch hangen hier de verhalen over bushbranden, verzengende droogtes en woeste overstromingen in de lucht. Verder geen enkel geluid.

We vlogen op Adelaide en verlieten de ’Kerkenstad’ nu een eeuwigheid geleden om in de staat South Australia (SA) het koersje Noord te volgen, richting Flinders Ranges. Dit rotsgebied, met diepe kloven en grillige eucalyptusbomen, ook wel Gum-trees, vormt ongetwijfeld het mooiste nationale park van Australië. Wat op de kaart op de steenworp Staphorst-Ede leek, blijkt een reis van uren. We lieten de gigantische road trains, driedubbeldekker-achtige vrachtwagens, voorbijgaan. De reddende engel in dit eenzame avontuur kwam in de vorm van de 50-jarige Glen Henderson met zijn vierwielaangedreven vehikel, gezegend met ontelbare paardenkrachten onder de motorkap. Glen treedt op als gids voor de reisorganisatie Banksia en was zo welwillend zijn bijrijdersstoel aan te bieden. Glen is een typische Aussie, een soort relaxte Brit dus. Bovendien met een creatieve geest als je zin in een biertje hebt, maar het calvinisme om 12.00 uur dwarszit. „Mate. In Australia it’s always ’beer o’clock’. So no worries.” We vertellen over ons doel, over de zoektocht naar de totale isolatie. Glen lijkt het probleem te begrijpen en stelt een route dwars door de Flinders Ranges voor.

Onderweg komen we in Clare (het laatste plaatsje waar herkenbare beschaving is te vinden) de gepensioneerde Nederlander Peter Venhoek tegen. De bebaarde man heeft sinds 1970 niets meer met zijn vaderland en streek hier neer om zijn gezin een betere kwaliteit van leven te geven.

Nu promoot hij oude vrachtwagens waarop vakantiehuisjes zijn gebouwd als bewijs wat te veel afzondering met de menselijke geest doet.

We rijden twee dagen door een apocalyptisch landschap van drooggevallen rivieroevers. Rijden langs eenzame kerkhoven, omringd door brokken steen, die ooit huizen vormden. Glen wijst: „Dat was het plaatsje Gordon, dat lag aan de oude Ghan Railwayline. Gesticht in 1879, maar sinds 1952 opgelost nadat trucks het transport door het land overnamen. Mensen houden het hier vaak niet uit. Te zwaar leven.”

Uiteindelijk overziet Glen zijn beperkingen en vindt dat we beter het vliegtuig kunnen nemen voor onze zoektocht. Wilpina Air regelt voor toeristen een zogenaamde pubcrawl, weet hij. Van afgelegen kroeg naar afgelegen kroeg met een kleine sportkist. Glen verdient met dit idee minimaal een Nobelprijs. De Toyota werd een Cessna en chauffeur Glen werd Andrew de vliegenier. Terwijl de koele mist nog tussen de bergen hangt, worden we in de vroege ochtend afgeleverd bij een minivliegveld met een minihangar en een minilandingsbaan van aangestampte aarde. Andrew loopt al druk heen en weer. Hij is er helemaal klaar voor en neemt zijn taak uiterst serieus. De verontschuldiging dat er geen stewardess in de vierzitter meegaat, blijkt geen grapje.

Andrew begint langzaam te twijfelen aan de geestelijke vermogens van zijn enige passagier als deze hem dé moeder aller plekken voorhoudt: Betoota. „Je bent daar echt van alles en iedereen afgesneden’’, zegt hij hoofdschuddend

We zullen via het opaalstadje Andamooka naar het godverlaten William Creek vliegen om van daaruit koers te zetten richting Birdsville, dat net over de grens van Queensland ligt.

Lake Torres, een 217 kilometer lang opgedroogd zoutmeer. Hier en daar weerspiegelt de zon in een vlek regenwater. Een majestueus gezicht.

Na de platformchecks en het taxiën meldt Andrew zich via de radio keurig bij de toren die er niet is. Geen antwoord terug. Vol gas en zo pruttelen we richting 1500 meter hoogte. Lake Torres over, een 217 kilometer lang opgedroogd zoutmeer. Hier en daar een vlek regenwater waarin de doorbrekende zon reflecteert. Een majestueus gezicht. Op deze hoogte wordt pas echt duidelijk hoe uitgestrekt dit land eigenlijk is. Je kunt hier uren vliegen zonder een gebouw op de grond te zien. „Het gevaar van de Outback is dat mensen niet goed voorbereid op pad gaan. Ze nemen te vaak te weinig water mee. Laat altijd weten als je op pad gaat en regel een satelliettelefoon. Verleden jaar is er nog een Amerikaan overleden omdat zijn auto vastzat. Hij is gaan lopen. Nooit doen! Blijf in je auto. Achteraf bleek dat ze de auto na twee dagen hebben gevonden; er zat genoeg benzine in om de airco al die tijd te laten draaien. De man is nooit gevonden.”

Maar wat doen wij als, noem iets lulligs, een postduif wordt samengeprakt in de luchtinlaat? In Europa maak je dan een noodlanding in de achtertuin van boer Biet, die vervolgens een kopje koffie serveert. „Hier maken we ook een noodlanding. Daarna gaan we bidden.”

Wat doen we als een postduif wordt samengeprakt in de luchtinlaat? In Europa maak je dan een noodlanding in de achtertuin van boer Biet. ’Hier maken we ook een noodlanding. Daarna gaan we bidden’

In de rode vlakte doemen na een uur vliegen opeens landpuisten, een soort kraters op alsof een overactieve mol hier zich heeft uitgeleefd. We zijn er. Peter Taubers (55) maakt zijn opwachting bij de piepkleine landingsbaan. Met grote trots rijdt hij naar zijn opaalmijn net buiten het plaatsje met 200 inwoners. Ondertussen legt hij uit dat al het water per tankwagen wordt aangevoerd en er slechts één politieagent met de naam ’Digger’ in het dorp woont en werkt. Geen blaastesten en ook geen snelheidscontroles. „Gewoon een aardige vent.”

De graafmachines verstoren ieder normaal gesprek, maar in het kort komt het erop neer dat opaal voor een goede boterham zorgt, als je het vindt. Wijzend op de nagel van zijn duim: „Zo’n stukje kan 50.000 Aus$ waard zijn. Delven blijkt niet het grote probleem, het spul zit vrij hoog aan de oppervlakte in tegenstelling tot het in deze streken gevonden uranium, goud en zilver. „Maar het is zeer gevoelig voor economische ontwikkelingen. Diamant wordt bijvoorbeeld ook gebruikt voor industriële doeleinden, maar opaal is alleen maar geschikt voor sieraden.” Nog even langs wat huizen die hier ondergronds zijn gebouwd en dan verder. Andamooka is toch een tikkie te druk en die politieman zit me ook niet lekker.

Anderhalf uur later landen we in William Creek. Er is volgens de Australische wetmatigheid natuurlijk een pub en om die pub staan her en der wat huisjes waarin totaal dertien mensen onderdak vinden. Dit begint er een beetje op te lijken. De kroeg is zoals een kroeg moet zijn: beetje bedompt met hier en daar wat hangende mensen die allemaal weten hoe een betere wereld eruit moet zien en geloven in het medische wonder dat je een kater met veel bier wegspoelt. Maak nooit de fout om bier te bestellen dat in een andere staat wordt gebrouwen. Verder relaxte sfeer, maar het barst hier van de vliegen. De moordneigingopwekkende insecten zoeken vocht en hebben het dus vooral gemunt op de mond ogen en

zweetplekken.„Nu valt het wel mee”, zegt de bebaarde kroegbaas  John Sheedy.   „In de zomer is het helemaal een ramp. Dan zie je mensen vaak niet eens meer omdat ze een klomp vliegen zijn. Probeer de noordpool”, geeft de man mee als we ons landingsgeld aan de bar betalen.

Het maanachtige landschap onder ons verandert weinig. Het blijft fascinerend, zeker als je beseft hoe hier de Aboriginals duizenden jaren hebben overleefd. Hoe sterk moet je dan zijn?

De Birdsville heeft een echte landingsbaan van asfalt. Jammer. Birdsville blijkt bovendien op een belangrijk kruispunt in deze desolate Simpson desert te liggen.vlucht naar Birdsville duurt zeker twee uur.

Door: Rob Hammink
Foto’s: Rob Hammink
Bron: Telegraaf]]

Zware kick

Prijswinnaar Richard Morren geniet in Peking, maar mag niet bungeejumpen

Richard Morren met zijn grootste kick: zijn vrouw Iris Gerritsen.

HIJ IS EEN man met een missie. Of liever: een man met een prijs op zak. Nog beter: een man met een gratis levensuitdaging. De 30-jarige Richard Morren is hoogstwaarschijnlijk de enige Nederlander die afgelopen week in het olympische Peking zijn eigen sportieve prestatie wilde neerzetten. Dan vergeten we voor ’t gemak alle bierrecords die door landgenoten in het Holland Heineken House werden gebroken. Morren zou vooral zijn eigen kicks gaan beleven en grenzen verleggen. Tenminste, dat was de bedoeling…

PEKING, zaterdag
Op iedere verdieping van het Asia Hotel, in het chique centrum van deze 15 miljoen koppige wereldstad, staat een meisje in een onopvallend grijs mantelpakje met een blocnote in de aanslag. Zij houdt als een geest de bewegingen van de gasten nauwgezet bij. „Voor uw veiligheid”, is het excuus in gebrekkig Engels. Als Richard Morren in zijn badjas mijn kamer binnenkomt, turft ze zijn entree zonder expressie op haar gladde gelaat. De 104 kilo zware man uit Hoofddorp kan zich niet druk maken over deze dubieuze naweeën van de tot in het beenmerg gecontroleerde staat.

„Man, peanuts. Prachtig dat we hier zijn. Ik ben nog nooit buiten Europa geweest en dacht dat ik dit jaar niet verder zou komen dan een vakantiehuisje in de omgeving van Putten. Nu zitten we hier op een historisch moment.” Er verschijnt een grimas als die van de lachende boeddha. Duidelijk: we hebben te maken met een buitengewoonrelaxt exemplaar dat opgewekt door het leven stapt.

Er is echter één kort moment dat hij een frons trekt in zijn massieve sympathieke gelaat. „Dat bungeejumpen, die diepste sprong mogelijk in China, daar zie ik eigenlijk tegenop. Het schijnt dat ze je een half uur ondersteboven laten bungelen. Niet goed voor je bloeddruk. Ik ga ervoor als jij ook gaat.”

Peking is even het centrum van de wereld en Richard Morren en zijn vrouw Iris Gerritsen (27) staan er midden in, bij groot toeval. Richard werd, simpelweg met het invullen van een fustcode, winnaar van de Club BeerTender en daarmee winnaar van een droom. Nog steeds met die laconieke grimas: „Ik had al eens een badjas gewonnen en dat ding was reuze handig toen onze Dylan een half jaar geleden werd geboren. Moest regelmatig m’n bed uit. Je rekent daarna niet op de hoofdprijs. Opeens staan er op je werk Chinese dames met een reis naar de Olympische Spelen!” Inmiddels is Iris erbij gekomen en is ook genoteerd. De wenkbrauw van de notuliste trok even op, dat wel. Iris: „Deze reis, op dit moment, maak je maar eens in je leven. Ik sprak gisteren twee nichtjes die jaren hebben gespaard om hier nu te zijn. Ik voelde me bijna schuldig.”

Het programma is intensief, zeker als je vier keer moet overstappen in de nieuw aangelegde metro en je geen taxi’s kunt krijgen, terwijl je op tijd moet zijn voor de wedstrijden. Niet makkelijk in een stad ter grootte van 16.800 km2 en waar de gemiddelde taxichauffeur niet verder komt dan Oké en Yes om vervolgens twee uur de volstrekt verkeerde kant op te rijden.

Voordat Morren de ultieme sprong in de diepte van het Qing Long-ravijn zal maken, gaat onze driekoppige karavaan de eerste dagen langs een wedstrijd van dameshockey, judo, beachvolleybal en uiteindelijk naar het olympische Mekka: het Vogelnest waar alle atletiekwedstrijden plaatsvinden. Daar zat Morren op de bovenste tribune als Zeus zelf en zag dat het goed was. Nou ja zag. Ik zag niet zoveel, maar de grootte van het stadion, al die duizenden juichende mensen, dat was voor mij genoeg. Het grappigst vond ik de hockeywedstrijd Nederland-China. Dat heteaardappelcommentaar op de tribune was uniek. Ik had nog nooit gehoord dat de meiden moesten schuiven en punten moesten drukken. Ik dacht dat ze gewoon een doelpunt moesten maken. Judo was bijzonder omdat we een medaille haalden.”

Kippenvel

Iris, van huis uit psychologe, valt in: „De huldiging van Edith Bosch daarna in het Holland Heineken House was aangrijpend. Ik kreeg kippenvel van de heersende harmonie.” Morren geeft toe dat beachvolleyball de meeste indruk maakte. „Het was zonnig en de sfeer in het Oranjekamp was goed. Grappig hoe twee verdwaalde Chinezen bier voor al die Hollanders gingen halen en een Australiër zich broederlijk bij ons voegde, ondanks dat zijn land van ons verloor.”

Dan wordt het tijd voor de uitdagingen van Richard zelf. Hij heeft genoeg van het gehang op tribunes, genoeg van het geklooi met chopsticks. Tijd voor actie, tijd voor harde grensverlegging. We rijden vandaag bijna honderd kilometer naar het noorden, richting het Quing Long-ravijn, een natuurpark waar  zich ook het waterreservoir voor de hoofdstad bevindt. In deze sprookjesachtige omgeving, met authentieke, niet gerestaureerde delen van de Grote Muur, meandert de rivier de Blauwe Draak. We bestijgen duizenden treden voordat we eindelijk de hoogste bungeejumptoren van China zien.

Morren zweet, puft en vraagt zich hardop af waar hij aan begonnen is. Iris blijkt zijn grootste mentale coach. „Dit is de kans van je leven Rich.” Maar Rich twijfelt. Hij toetst mijn bereidheid en die is – eerlijk is eerlijk – tot het niveau walnoot verschrompeld. Uhhh, ik had vroeger een speelgoedautootje en daar liepen de banden altijd vanaf. Made in China stond op de onderkant. Ik heb het niet zo op Chinees rubber… Morren toont zijn kracht en mijn jeugdtrauma demotiveert niet. Terwijl we bij de kassa aankomen, haalt hij diep adem. Hij gaat ervoor! De caissière informeert voorzichtig naar zijn gewicht. „Solly, above hundeld kilo no jump. Govelment not allow.” In het kort: nu Peking in de schijnwerpers staat, wil de regering geen dode toeristen aan een gebroken elastiekje. Het is onduidelijk hoe Morren zich voelt. „Opgelucht, maar ook teleurgesteld. Ik ben hier voor m’n mannenkick. Hoe verkoop ik dit aan mijn vrienden thuis?”

Lekker spelevaren op de Witte Rivier.

We zoeken een oplossing, maar de gids ziet niets zitten. Ik vuur wat ideeën af. Schieten? Ze reageert onderkoeld: „Het leger heeft alle kogels ingenomen tijdens de Spelen. Niet mogelijk.” Met een Ferrari over het Tiamenplein? „De regering heeft dat afgezet en buitenlanders mogen niet rijden hier.” Speerwerpen in het Vogelnest? „Zeker een grapje…” Parachutespringen dan? „Kan ook niet, wegens de Spelen. Nee, aerobatics vliegen ook niet.” Uiteindelijk volgt een waanzinnig mooie tocht door Huairou-county naar de afgelegen Witte Rivier (Bai He), waar goedwillende amateurs raftsensaties aanbieden. Gele boten, verkrijgbaar in de slechtere speelgoedwinkel, liggen op de kade. Alleen het leger oefent hier. We worden de rivier opgeduwd. De drie kilometers bieden twee zoetsappige stroomversnellingen en een natte onderbroek, dat was het zo ongeveer. Leuk, maar niet echt een mannenkick, laat staan een heldenprestatie waarmee je vrienden in de kroeg de mond snoert. Een oude jeep pikt ons op en scheurt terug over eindeloze modderpaden.

Toch nog een echte mannenkick: scheuren in een oude jeep over modderpaden.

Now we are talking! Water spat aan alle kanten over ons heen en het is moeilijk overeind te blijven. Richard en Iris genieten en schreeuwen het uit. Dan begeeft de motor het en daalt de stilte en schemering over ons neer. De zon zakt onder de grillige kim en het is de vraag of we hier nog wegkomen vannacht. Ik zoek alvast een plek voor de nacht. „Als je zoekt, vind je het niet. Het onverwachte verrast”, zegt Iris. De Chinese wijsgeer Confusius zou onder de indruk zijn. Richard slaat zijn enorme arm liefdevol om haar heen. Hij heeft zijn grootste kick gevonden. Made in Holland.

Door: Rob Hammink
Foto’s: Telegraaf
Bron: Telegraaf]]

Parijs-Dakar´-tycoon gaat arm binnen-Mongolië op de kaart zetten

Het zal misschien nog een decennium duren, maar China koerst met onnavolgbare snelheid af op de status van leidende wereldmacht, die niet meer lijdt. Het Rode Boekje van roerganger Mao is ondertussen bij de lokale Slegte te vinden en de overheid probeert het rijke westen te imiteren. In de vaart der volkeren horen daar ook rally’s (lokaal uitgesproken als lally’s) bij. De tycoon van Paris-Dakar, de Fransoos Hubert Auriol, reisde naar China om zo’n ‘lally’ te organiseren in Binnen-Mongolië. De eerste stappen werden afgelopen week in het gigantische land gezet. De Telegraaf was er exclusief bij.

HULUNBEIER (China), zaterdag De motorkap is afgescheurd en zit al dagen met een dubieus ijzerdraadje vast. De versnellingsbak heeft veel weg van een bak yoghurt en de richtingaanwijzers zijn er afgevallen, maar niemand weet wanneer. Kortom: de auto lijkt op een hondenhok waar kilo’s degelijke Chinese klei vanaf druipen. Tot overmaat van ramp heeft vandaag de motor de geest gegeven. Niet meer aan de praat te krijgen.

Ons uitzicht geeft niet veel reden tot hoop: alle 360 graden leveren het beeld van een vlak oneindig grasveld op. Het was vijf dagen zonnig, maar tijdens een crash is het natuurlijk koud, het regent en we zijn nat tot de laatste draad van de boxershort. In zo’n geval, waar je de gehele communistische partij vervloekt, biedt droge Brabantse humor uitkomst. „Zo, die kan bij de Speurders. Te koop: leuke terreinwagen, altijd binnen gestaan, van oud vrouwtje en weinig op de teller.” Dat laatste klopt overigens, want sinds ons vertrek vanuit Hailaer is die teller blijven staan op 33.278 km. Heel onhandig als je een rally moet rijden volgens de wetmatigheid van ‘pijltje-bolletje’.

Eric Verhoef raakt blijkbaar niet snel overstuur in dit soort situaties. Dat is nogal handig als je nationaal erkend rallyrijder der Lage Landen bent met elf Dakars op je naam. Hij reed er zeven helemaal uit. Rijp voor een tegeltje was zijn beste uitspraak eergisteren, toen ik als een – nu we toch in de buurt zijn – Mongool door het landschap stuiterde: „Rustig rije. Bewijzen doe de ge maar in de slaapkamer.” Eindelijk een stipje aan de horizon. Een verlossende auto neemt ons mee naar de finish.

Twee weken geleden: de 38-jarige man uit Veldhoven belt naar de redactie. Opgetogen klinkt het in onvervalst Brabants: „Gij doet toch iets met avonturen. Di is kei gaaf man. Een rally in China! Nog nooi vertoond. Doe de gij mee? Ik mag een co-piloot/navigator uitnodigen.”
De motorfanaat was op zijn beurt weer uitgenodigd door ‘Monsieur ‘1 Afrique’, ook bekend als Hubert Auriol, die, op verzoek van de Chinese autoriteiten, een rally in hun provincie Binnen-Mongolië in elkaar mocht zetten voor een zeer select aantal Europese rallyrijders. Onderliggende en nooit uitgesproken gedachte van de Chinezen is natuurlijk om Binnen-Mongolië op de kaart te zetten voor rijke westerse investeerders. Want wees eerlijk: welke sterveling weet waar Binnen-Mongolië ligt?

Auriol, de man die na eigen successen tijdens de fameuze rally Paris-Dakar het estafettestokje als organisator van dit evenement overnam in 1994, zag direct een geweldige uitdaging. „Ik was geïmponeerd door de grootsheid en diversiteit van het landschap. Tel daarbij de geweldige gastvrijheid van de lokale bevolking op en ik zag de haalbaarheid voor Green Raid. Geen echte harde rally, wel een sportieve proeve voor alle mensen die met een 4×4-aan-gedreven auto nieuwe horizonnen willen ontdekken. En juist dat biedt geheimzinnig China natuurlijk als geen ander land. De deuren stonden op een kier en zijn door dit initiatief nu echt geopend.”
Het aangewezen terrein, in dit 1,3 miljard zielen tellende land, werd de provincie Binnen-Mongolië, dat ingesloten ligt tussen Siberië en het oostelijk deel van de Gobi-woestijn, om precies te zijn in het meest noordelijke district Hulunbeier, een gebied zo groot als Frankrijk, maar slechts bevolkt door acht miljoen mensen. Een prachtig decor dat met zijn uitgestrekte steppen, grillige bossen en hoge plateaus met grasland iedere verbazing overstijgt, zo werd het onontdekte rijk voorgesteld.
Na een vermoeiende tocht vanuit alle delen van Europa komt het illustere rallygezelschap aan in Peking, het huidige Beijing. Van daaruit met een binnenlandse vlucht naar de hoofdstad Hailaer, waar de Moeder aller avonturen zal beginnen. Kleine deceptie is het niveau van de afgeleverde auto’s, of liever de afgeragde vierwielers, waarmee we vijf dagen, vaak off road, door het land zullen crossen. „Terwijl er toch echt prachtige Landrovers waren beloofd. Goed dat we deze trip, waarvoor deelnemers zich pas volgend jaar kunnen inschrijven, hebben georganiseerd”, aldus Auriol. „Het communicatieprobleem blijft, maar de kinderziektes hebben we in kaart gebracht en kunnen we nu wegwerken. Voordat we dit product samen met de Chinezen in de markt zetten, moet er nog wat water door de Amur (hoofdrivier in Binnen-Mongolië – RH).”

Het lot wil dat Eric Verhoef en ik, via een ondemocratisch principe, auto nummer 009 krijgen toebedeeld met de vering van een invalide kameel. Hiermee moet dagelijks meer dan 500 kilometer door ruig en stoffig landschap worden gestuurd, maar de schoonheid ervan maakt veel goed. In iedere stad waar we aankomen staan rijen mensen langs de kant opgesteld. Kinderen zwaaien met vlaggetjes tegen een achtergrond van hoekige architectuur, die letterlijk uit de grond wordt gestampt. Nieuwe tijden komen. Overal militairen en politie om de Europese gasten het gevoel van veiligheid te geven.
Oude tijden leven alleen verder op het platteland, waar dorpen slechts door een dunne elektriciteitsdraad aan elkaar worden geregen. Uitgestrooid over het landschap rennen wilde paarden en af en toe schrikt een koe op als we rakelings langsrijden. In de reeks droge opmerkingen is „dat wordt een uier vol zure melk” toch weer een toppertje van Verhoef. Boeren op stokoude tractoren rijden buitenproportionele balen hooi naar hun stallen. De streek maakt zich op voor de winter, die hier de mensheid mangelt met temperaturen van 30 graden onder nul. Dorpelingen boden hun simpele onderdak en uitgebreide eten aan. Huiden als perkament, waarop het zware boerenleven is af te lezen. Overal waar we kwamen waren er ceremonies, ceremonies en als grote verrassing ceremonies.

Terwijl we vijf dagen lang door Binnen-Mongolië stuiteren, krijgt onze nationale motorbikkel naast me een duidelijk gezicht. „Toen ik vijf jaar was, gaf ons pap me een zelfgemaakte crosser. Zo is het allemaal begonnen”, zegt Verhoef terwijl hij zich door de stofwolken van onze voorgangers heen worstelt. „Dakar is dan natuurlijk het hoogste doel dat je kunt bereiken als enduro-rijder, dus schreef ik me in 1988 als motorrijder in, als jongste deelnemer ooit. Er is in dat jaar en de jaren daarna tijdens Dakar veel misgegaan, teveel mensen zijn overleden en ik heb mijn ambities bijgesteld. Een bijkomend probleem was ook dat in Nederland de sponsors niet echt warmlopen voor Dakar.” Lachend: „Het bleef dus sudderen tot 1997. Toen begon het virus weer op te spelen. Ik moest en ik zou weer gaan. Iedereen raadde het me af. Minimaal gesponsord stond ik dat jaar aan de start met een reserve-onderbroek, een tandenborstel en een zwaardere hypotheek op mijn huis. Daarna heb ik geen jaar overgeslagen.”

Nu hij onze 009 dwars door een wei stuurt: „Het verschil tussen een motor en een auto is groot. Je ervaart op een motor alles directer. Bovendien ben je zelf de kreukelzone.” Met een bijna fataal ongeluk in, Dahkla (Egypte) weet Verhoef waar hij het over heeft. „Dit avontuur van Hubert is geweldig en is nog nooit vertoond in rallyland. Ik zie wel potentie in deze kant van de wereld, want waar heb je nog zoveel ruimte? In Nederland zouden er voor de start al vijf actiegroepen achter het prikkeldraad van zo’n wei staan. Dit is een prima manier om wat plezier in de Chinese brouwerij te brengen. En daar gaat toch om in dit leven? Nie dan?”
De charmante Wei Ching, tot haar 18e opgegroeid in Shanghai, maar daarna richting Zwitserland vertrokken, ziet het allemaal een tikkie genuanceerder. Ze zit als een spin in het web van de kersverse Raid. „Ik heb het zelf allemaal in werking gezet, na het verzoek van de Chinese overheid. Toch blijf ik zitten met een dubbelzinnig gevoel. Het is mijn land. De mensen hier zijn zo puur en vriendelijk, ze geven niet om geld. Ze geven omdat ze willen geven. Hoe zal dat zijn als hier de rally volgend jaar komt? En het jaar daarop en het jaar daarop… Toch ben ik blij dat je bent gekomen om Binnen-Mongolië, dit vergeten en arme gebied met zoveel potentie en grondstoffen, op de wereldkaart te zetten. China en haar jeugd moeten verder en geld speelt daarbij belangrijke een rol. Helaas.”

Over repotages

Tekst en foto’s.
Ik heb altijd geprobeerd om tussen de twee disciplines een natuurlijk huwelijk te sluiten. Lastig, soms. Zeker in gespannen situaties, wanneer tijd niet je beste vriend is. Schrijven is een exploderend proces: je hebt een onderwerp en dat werk je, jonglerend met woorden, uit. Daar moet je rust voor nemen. Fotograferen voltrekt zich langs de lijnen van de implosie: je hebt allerlei prikkels en die sla je in 1/15e van een seconde, of sneller, plat tot twee dimensies. Er zijn weinig journalisten die op beide fronten goed werk afleveren. Ik heb respect voor mensen die deze creatieve spagaat maken zonder dat het ene fenomeen onder het andere lijdt.]]

Harley Davidson Legioen in motorenmekka Sturgis

De tol van meer en meer, zo wordt duidelijk tijdens deze recessie, is betaald. Prettige conclusie: je hebt eigenlijk weinig nodig om gelukkig te zijn. Twee wielen en wat asfalt is genoeg. Die wielen waren er en ook duizenden kilometers zinderend, letterlijk smeltend asfalt, daar in South Dakota. Onder de vlag van Harley Davidson, die zijn modellen voor 2010 lanceerde, reisden we af naar het mekka van motorminnend Amerika. Al 69 jaar komen honderdduizenden kleurrijke bikers (zo’n 600.000!) in de fameuze Black Hills samen. In Sturgis, om precies te zijn. Over het Wilde Westen, economisch overleven, ultieme vrijheid en het behoud van de rebel in jezelf.

door ROB HAMMINK

Rob Hammink op een Harley Davidson

STURGIS (VS) – Tegen een strakblauwe lucht, met hier en daar een verdwaalde wolk, lonkt een verkeersbord zo groot en vooral zo groen als een Olympische pingpongtafel: Sioux falls Interstate 90 East. Een ander bord wijst naar een nog exotischer bestemming: Crazy Horse. Dan hebben we nog Key Stone, zo’n Wildwestplaatsje met klapperende saloondeuren, neergevlijd op de route naar Mount Rushmore waar vier gewaardeerde presidenten in de rotsen zijn uitgehakt. Tja, waar zullen we eens heengaan?

De Harley Dyna Wide Glide merkt mijn twijfel, maar ronkt tevreden, alsof de machtige machine zegt: ’Weet je, het maakt mij allemaal niet uit. Born to be free. We kunnen ook de andere kant op.’ Tegen dat gevoel, die vlucht uit de werkelijkheid kan geen enkele coach, psycholoog of kalmeringsmiddel op. De hemel bestaat in dit land, ooit van de Indianen.

Rob Hammink – Mount Rushmore USA

Geluid
In de lucht hangt een zindering. De hele dag door gonst er dat typische geluid in de Black Hills. Als grote bijen bewegen mensen op motorfietsen zich met duizenden tegelijk in alle windrichtingen. Uiteindelijk strijken ze allemaal neer in Sturgis.

Onze reis begon een paar dagen geleden bij de bron van de motorbouwer in Milwaukee, waar de drie heren Davidson en een Harley in een schuurtje hun eerste motorfietsen in elkaar knutselden. Dat was in 1903, een paar blokken verwijderd van Juneau Avenue, waar in het diepste geheim noviteiten worden ontwikkeld.

Ondanks dat het zware economische weer niet aan de Amerikaanse motormaker voorbijgaat, is er sinds 1903 een wereldwijd merk en vooral een onwrikbaar imago neergezet. „Gelukkig zetten we ook nog steeds zwarte cijfers neer”, aldus de meereizend managing director Benelux Roel Rietveld.

Waren het in de sixties en seventies vooral de angry young men die met handen tot voorbij ooghoogte achter het stuur zaten, de laatste decennia zijn het vooral de keurige babyboomers die diep in de buidel tasten voor dat nonconformistische rauwe imago waardoor kantoorstof verwaait. Maar babyboomers worden ook ouder en laten de motorfiets vaker staan. Tijd dat Harley nieuwe bronnen aanboort.

Rietveld: „We maken ook motoren die zeer geschikt zijn voor vrouwen. De kledinglijn die in het verlengde daarvan ligt, is in ieder geval succesvol. En we willen meer jongeren. Zij die een Harley onhaalbaar achten. Onderzoek wijst uit dat men veronderstelt dat onze producten pas bij 20.000 euro beginnen. Maar voor nog geen 9.000 euro heb je al een Sportster.”

Elvis
De vandaag opgetrommelde kenners en motorfanaten overleven de lange zit en bewegen zich naar het Harley Davidson-museum, waar de geschiedenis een gezicht krijgt. In 1917 probeerden de gedreven motormakers ook in fietsen te gaan. Dat mislukte, godzijdank.

Wel zagen in de periode 1961 tot 1963 prachtige scooters het levenslicht. Ah, de originele aankooppapieren van Elvis Presley liggen er ook. De Pelvis kocht na het uitkomen van zijn eerste single een KH Side valve V twin voor 1.143 dollar. Beroep: zelfstandig zanger, volgens de afleverbon. Prachtig en leerzaam, maar het wordt hoog tijd om te gaan rijden.
Net buiten Sturgis staan tientallen Harley’s opgesteld voor het journaille. Als zorgzame moederkloek legt marketing manager Jessica Riemsdijk uit hoe je de verschillende modellen onderscheidt. Een Softail heeft een big twinblok en een horizontale vering onder het blok: „Dat zorgt voor een hardtaillook.” Dan hebben we familie van de Tourings en die hebben altijd koffers. „De VRSC hebben een vloeistof gekoeld blok waarbij de cilinders onder een hoek van 60 graden staan.” Enz. Enz. Enz.

Rob Hammink – Harly Davidson “Dyna Wide Glide”

Je voelt je als een jongetje in de snoepwinkel. Omdat de Electra al is ingepikt, twijfel ik tussen de Sportster 1200, de Fatboy en de Wide Glide 96cu (1584cc). Uiteindelijk kies ik de stoere zwarte Night Rod met hier en daar een rood accent. Goede keuze, volgens Jes. „Hij is voor de Europese markt ontwikkeld. Daar zijn stoer en zwart een trend.”
Ik rijd binnendoor naar Sturgis. De motorfiets maakt duidelijk dat hij een achtergrond in de drag racing heeft. Wat een ongelooflijke, maar vooral oneindige kracht komt er vrij als het gas wordt geopend. Het wordt steeds drukker rondom het miniplaatsje. De toegangsweg lijkt op een enorme trechter.

Iedereen rijdt stapvoets door Main Street. Er wordt geflaneerd op customized bikes die soms weinig meer weg hebben van de originele motorfiets die ze ooit waren.

Doug Wankel van de Spectre Group claimt de langste reis van alle deelnemers te hebben gemaakt: vanuit Afghanistan. „Ik rol daar drugsbendes op voor de Amerikaanse overheid. Uit Nederland? Zeker 90 procent van jullie heroïne en cocaïne komt uit Afghanistan. In Kaboel is het redelijk rustig, maar in de rest van het land blijft het hommeles. De Taliban zijn onuitroeibaar.”

Verwachtingsvol rijden Harley Davidson-fans naar Sturgis de staat South Dakota, waar het één groot motorenfeest is.

Doodshoofden
Hamburgers, bier, dwarsdoorsnede van de samenleving en altijd weer die doodshoofden. Een juwelier zegt filosofisch: „Als je je angsten omarmt, zijn het geen angsten meer. Je zegt tegen de dood: ik ben niet bang voor je.”
Oppergod Willie G. Davidson (76), kleinzoon van een van de oprichters, is nog steeds nauw betrokken bij elk model dat de fabriek verlaat. „Ik ben een artiest. De grote uitdaging is om met mijn team modellen te ontwerpen die in Europa, Zuid-Amerika en Azië aanslaan. We moeten onze klantenkring uitbreiden.”

Willie heeft zelf ook een ring met een doodshoofd. „We hebben vrede gesloten met het doodshoofd. Neem mij nou. Ik ben een rebel en als rebel zal ik sterven. Dat houdt je jong. Uiteindelijk heb je niet veel meer nodig dan twee wielen. Onze wielen.”]]

Het Duivelsei ontmaagd!

De top van het magische Duivelsei is Duivelsei is, om in juiste klimmers-termen te blijven, ontmaagd. Daarmee bereikte de expeditie van beroepsavonturier Ronald Naar eergisteren zijn doel na twee keiharde weken de diepste jungle van Surinamete hebben bevochten. Hoe de Julianatop-expeditie de Duivelsei-expeditie werd…
De tocht was zwaar. Het vochtige klimaat, de ondoordringbaarheid van het oerbos enhet gebrek aan voldoende eten eisten hun tol.Deze krant nam exclusief deel aan een tocht door niemandsland waar niet de mens,maar de natuur met keiharde hand regeert.

door ROB HAMMINK

DUIVELSEI (Suriname), zaterdag „Voor een bergbeklimmer is dit een natte droom. Een top te vinden, die nog nooit is beklommen. De weg was tot op het laatste moment onzeker.” Ronald Naar en de twee big-wall-klimmers Gerke Hoekstra en Martin Fickweiler zijn het onwrikbaar met elkaar eens. Ze hebben het keiharde graniet van het Duivelsei bevochten en hun doel gehaald!

Ronald Naar, veilig terug aan de oever van de Lucierivier, die ons verleden week voor een groot deel dit gigantische natuurreservaat van tienduizenden vierkante kilometers in bracht: „Maar het succes diende zichzelf niet zomaar aan. Het was zwaar. Probleem was dat we van de natuur moesten leven. Op al mijn andere expedities was het koud, maar je nam instant voedsel mee.”

Hij kijkt langs zijn vijf kilogram lichtere lijf naar beneden: „Ik zet een bv op voor mensen die willen afvallen. Deze tocht doet wonderen.”

De sfeer is voldaan, maar niet uitbundig, daarvoor zijn we te moe. Ieder voor zich denkt terug aan de afgelopen week.

Het kompas gaf zes dagen noordoost aan. Een wat onrustige naald, tot nu toe zo symbolisch voor het succes van de expeditie. We hadden onze twijfels of het wel zou lukken. Met een kompas en junglekennis van de twee gidsen, Sensi en Apante, die ook nog nooit in deze streek rondliepen („hier liep nooit iemand rond, want wat heeft een weldenkend mens hier te zoeken?”), het primaire oerbos van Suriname door, leek het op z’n zachtst gezegd gekkenwerk.

Lianen
De laatste loodjes. Af en toe worden woudreuzen afgewisseld door stukken mangrovebos waar lianen als tanige armen uit Hades omhoog krullen en ons aan onze enkels naar beneden het moeras in willen slepen. Ik bouw een haat-liefdeverhouding op met deze omgeving. Aan de ene kant is het prachtig en onaangetast. Niets mooier dan ’s ochtends vanuit je hangmat naar de boomkruinen van veertig meter of meer omhoog te kijken. Aan de andere kant is het een grote composthoop in de schemering, met een energie opeisende bodem van rottende bladeren en omgevallen bomen waarin constant gevaar schuilt.

Kappen, struikelen, vallen, opstaan. Maximaal drie kilometer per dag. Ik stink als een lekkende fles ammoniak van een inferieur merk. Volgens Naar: „Het lijkt wel of er een bronstige bosolifant over mijn kleren heeft gepist.”

Waarom ben ik hieraan begonnen? Waarom zei ik ’ja’ tegen Ronald Naar toen deze twee maanden geleden het absurde plan voorlegde om de Julianatop en misschien nog het Duivelsei in de diepste binnenlanden van Suriname te vinden? Misschien was het motief wel triviaal en was het alleen de naam van het ding: Duivelsei. Het heeft alle ingrediënten van een slechte thriller. De vloek van het Duivelsei, of zoiets. Hij wil niet gevonden worden en doet er alles aan om ons, met dit grote enge bos als buffer, tegen te houden. Ik dood dankbaar mijn tijd met melodrama.

Het is bijna een week geleden dat we de veilige Zuidrivier en Lucierivier, vol met zwemmend voedsel, verlieten en de sobere jungle introkken. Onderweg had de Julianatop voor het Duivelsei moeten wijken, niet in de laatste plaats omdat de kaarten naar die Julianatop wegdreven na een bootongeval. Bovendien was de Julianatop al eens beklommen, het Duivelsei nog nooit. Toen we de jungle introkken, wisten we nog niet dat de maanden tussen januari en mei dé maanden zijn dat er palmvruchten als awara en maripa groeien. Nu is er niets, zelfs geen zoete mopé, dat door dieren, mensen en vissen wordt gegeten. Het ontbreken heeft een direct effect op onze magen: er is dus ook weinig wild in groepjes om te schieten. De bosvarkens en boskippen scharrelen als los zand rond om te overleven. Hoe bijzonder het ook is dat vier volstrekt vreemden in goede harmonie een prestatie leveren, toch staat het ’wij’gevoel soms een beetje onder spanning, met name tijdens het eten. Je hoeft geen wiskundige te zijn om te weten dat de 1200 rijstkorrels, gedeeld door acht, geen 300 rijstkorrels voor jezelf zijn. Maar op een gegeven moment is ook de rijst op en we hopen dag na dag dat Apante met zijn door tuinslangklemmen bijeengehouden geweer iets schiet, het maakt niet uit wat. „Ik schiet heel bewust, nooit te veel en alleen apen als het echt niet anders kan”, zegt de sympathieke boscreool met grote grijns. Hij leeft soms weken op alleen water. Toegegeven: dat water wordt steeds beter naarmate we dieper en dieper het regenwoud intrekken. Steeds maar weer hopen dat je een kristalhelder beekje vindt, desnoods een meter breed, iets met water om een kamp te kunnen opzetten.

Het duivelsei

Het absolute keerpunt in deze groene hel is als Ronald Naar door het bladerdek, dat ons al dagen van zonlicht afsnijdt, heen wijst en zegt: „Daar is hij.” In de verte zien we de contouren van een 980 meter hoge berg met daarop een prachtig ei waar we zo lang naar zochten. Ik val een minuut later en probeer mijn balans te vinden met de machete. Het verroeste ijzer snijdt tot op het bot in mijn middelvinger. We lopen door en door en maken uiteindelijk kamp drie.

Ronald Naar, Martin Fickweiler en Gerke Hoekstra gaan direct door om op een richel, honderd meter onder top, de nacht door te brengen. Ze zullen en móéten… De tijd dringt. Als de drie klimmers een dag en een nacht weg zijn, missen we toch de opgewektheid van de expeditieleider, die zich vooral ’s ochtends openbaarde in trommelvliestergende zangkanonnades, waarmee hij misschien ooit nog eens wereldberoemd in Den Haag en omstreken wordt. „Het leven is een pijpkaneel…”

Titanenstrijd
Terwijl de drie klimmers hun titanenstrijd naar boven leveren, hoog boven de broccoliomgeving uit, doden wij onze wachttijd met unieke verhalen van twee boslandcreolen Apante en Sensi. Ze leven niet alleen in het bos, ze leven met het bos. Bomen als medicijnen, water als beste vriend. Ze hebben het over de zwarte ’broeder’ in de stad en de achterstand van de bosnegers, die dit jaar eindelijk, en voor het eerst, in de regering zitten. „Voor ons is jullie beklimming ook een overwinning. In Paramaribo hebben mensen deze expeditie afgeraden, te gevaarlijk. We zouden het leger moeten waarschuwen. Ha, ha. Jullie hebben geen expeditie gemaakt. Jullie hebben een survivaltour gedaan”, aldus Sensi. Hij heeft gelijk: je zou hier hangjongeren binnen twee weken omtoveren tot normale mensen, die verder denken dan de expansie-uitlaat van hun scooters. Heel leerzaam: twee weken lang met één meter flosdraad, je handdoek aan stukken knippen om pleisters van te maken en geen patat in de buurt.

Martin Fickweiler, in wiens schaduw Indiana Jones niet meer is dan een Sissi, zegt: „Het was een geweldig avontuur. Vooral de onzekerheid was geweldig. Meestal weet ik wel waar een berg ligt. Ik was verbaasd over het oergesteente van het Duivelsei, dat keihard was, maar anders overleeft het dit meedogenloze klimaat niet.”

Gerke Hoekstra vond het enige zware het eenzijdige en weinige eten. „Zwijn als ontbijt, lunch en diner, is wat te veel van het goede. Dan heb ik het niet eens over het moment toen de rijst voor dagen op was. Ik vind het een wonder dat de mens zonder voeding tot zulke prestaties in staat is. Ik kijk daar echt van op. Ik ben gewend om af te zien. We hebben in januari drie dagen op zeshonderd meter aan een wand in Patagonië gehangen terwijl er een storm om ons heen gierde. De enige bescherming tussen ons en de afgrond was twee millimeter nylon. Maar nu, met dit Duivelsei-avontuur, heb ik weer nieuwe grenzen ontdekt.”

Morgen de lange weg over de rivieren terug, boot uit, duwen, boot in. Wonden van teken en schorpioenen likken in de boot, letterlijk. Maar ditmaal een nieuw doel: een onvervalst Parbo-biertje in hotel Torarica. Hopelijk revancheert het Duivelsei zich niet alsnog op de terugweg bij één of andere waterval. Dit laatste deel schrijf ik op een rots midden op de rivier. We zijn zojuist gestrand, omdat de opgelapte korjaal, waar een week geleden een verrotte woudreus op viel, het wederom voor de kiezen krijgt en is omgeslagen. Spullen drijven weg, de motor is onder water geweest. We zijn nog lang niet thuis, zoveel is wel duidelijk…

Klik om naar alle foto’s uit deze reportage te gaan

Bron: Telegraaf

Lees ook Op jacht naar Duivelsei
Lees ook Groeten uit het enge bos]]>

André Kuipers non stop de wereld rond

ANDRÉ KUIPERS EN EEN CAPSULE NON STOP DE WERELD ROND..

In 1995 kwalificeerden André Kuipers en ik ons voor een prachtig avontuur: op 12 kilometer hoogte in een capsule non stop de wereld rond. O ja, hangend aan een zeventig meter hoge ballon. Dat bizarre plan kwam uit de koker van avonturier Henk Brink, die een wedloop was aangegaan met de Amerikaan Steve Fosset.

Zowel Kuipers als ik hadden gereageerd op een landelijke oproep. Brink had in jachtvlieger Wim Hageman al zijn tweede man gevonden, maar zocht nog een derde. Vliegers, militairen en gelukzoekers dromden in duizendtallen samen voor de Rai waar psychologische tests werden afgenomen. Slechts een groepje van twintig mannen kon door naar de Ardennen waar we werden getest op doorzettingsvermogen, claustrofobie en teamgeest.
Zowel Kuipers als ik vielen toen af. Het is minimaal ironisch dat Kuipers vele jaren later de zwaarste keuringen tot astronaut overleefde.


De ballon van Brink is voor deze ruimtereis overigens nooit van de grond gekomen.

Avontuur in de jungle

Maleisië – Kota Kinabalu – Avontuur in de jungle

Op motor door binnenlanden van Borneo

Borneo – Naar de binnenlanden van het magische Borneo op twee wielen. Het motorrijdersbloed van onze verslaggever raasde door zijn aderen. Modder, kiezels, diepe ravijnen, vleermuizen en slangen. Een rondreis over hét eiland dat ontdekkingsreizigers door de eeuwen heeft gefascineerd. Al met al de juiste ingrediënten voor een avontuurlijke nog nooit beleefde reis. Hoofddoel: de fameuze Ibanstam, voormalige koppensnellers, in de provincie Sarawak. Maar zware regens spoelden noodzakelijke routes en bruggen weg. Een verslag uit de overstroomde jungle.
De vochtige zoete geur van het tropisch regenwoud is niet in te halen. Ze is overal en reist mee met een snelheid van tachtig km/u. Ze kleeft letterlijk aan me terwijl scherpe stenen door de rode aarde worden afgeschoten. De speciaal gemonteerde terreinbanden van de motor zoeken nerveus hun smalle weg. Een fatale fout en ik kan als slachtafval ter plekke de vruchtbare grond in.
Soms, heel soms, is er pauze en rust. Dan verstomt het lawaai van de 150cc lichte, maar trouwe Chinees waar ondertussen de nummerplaat, achterlicht en spatbord vanaf zijn getrild. De Maleisische jungle laat dan zijn schoonheid zien en horen.
Het groen van de bladeren vind je in geen enkele doos van Caran d’Ache, het blauw van de lucht trouwens ook niet. De wind ruist en de krekels rijgen hun ongenoegen aan elkaar met een protestlied. Het klinkt bijna als een aanklacht tegen de indringers.
Maar we moeten door en door in dit afgelegen gebied van Borneo. Er is een doel te halen, vier dagen van hier, diep weggestopt in de provincie Sarawak. Daar ligt Long Napir waar de Penanstam – vredelievende nomaden en verzamelaars – leeft volgens de leer van de ’Molong’ die stelt: ’neem nooit meer van de jungle dan je nodig hebt’.
Plotseling staan er kleine borden met amper zichtbare rode pijlen. Ze wijzen volstrekt onnavolgbaar naar links of naar rechts. Later zal blijken dat ze de route van zware opleggers reguleren, die nemen nogal een ruime bocht. Het gezicht van het regenwoud verandert nu per afgelegde kilometer.
De wegen worden breder, de lucht donker. Dipterocrap-bomen zijn verdwenen. Hier hangt houtkap in de lucht. Regenwoud wordt gesloopt, óók voor onze vloeren en hardhouten kozijnen. De stenen op de route hebben plaatsgemaakt voor fijn zand dat je vindt in de Sahara.
Een vrachtwagen komt op hoge snelheid de bocht om en laat een dikke mist achter. Uit die mist komt de volgende vrachtwagen recht op me af, beladen met boomstammen. Een kwetsbare motorrijder versus een vijftigtonner. Twee mannen moeten kiezen en ze kiezen beiden voor rechts. De lijn tussen leven en dood wordt steeds dunner.
Het is nu twee jaar geleden dat ik Marco Brand van Motortrails ontmoette op de vakantiebeurs. Hij viel op met zijn oude doorleefde Royal Enfield Bullet, een klassieke motorfiets, die nog dienst doet in India. Marco organiseert avontuurlijke reizen en na het uitwisselen van drie woorden mocht ik een keer mee.
Naar India Kashmir of naar Vietnam of Oeganda. „Zeg het maar.” Het kwam er nooit van. Twee maanden geleden meldde de tanige man zich weer. „Ik heb een pilotreis naar Borneo in de aanbieding. Ik weet niet of het wat wordt en ook niet wat er mis gaat. We proberen met een groep mannen een route uit te zetten. En als het iets is, doen we het vaker.”
Volgens het losse programma begonnen de mannen in Kota Kinabalu en staken vanaf Menambuk met de ferry over naar het obsceen rijke Brunei, waar de olie uit de grond spuit als je een aardappel poot. In Miri, op de derde dag van hun reis, zou ik ze ontmoeten en de motor krijgen.
Stewardessen van Malaysia Airways krijgen het voor elkaar om op 30.000 ft de beste satés te serveren. Ik word voldaan afgezet in Kuala Lumpur. Van daaruit vlieg ik naar Miri, het weinig karakteristiek stadje aan de kust van de Zuid-Chinese zee. Een in aanbouw zijnde shopping mall (wat is het leven zonder shopping mall) en tientallen restaurantjes bepalen het straatbeeld.
Kleine hotels verhuren ook kamers per uur. De sfeer is een beetje groezelig. Om de tijd te doden, ga ik naar binnen bij Bersih Sihat, volgens het uithangbord een degelijke spa. Ze zegt dat ze no3 heet en geeft de beste en hardste massage ooit. Denk je dat je alles hebt gehad, steekt no3 een brandende kaars in je oor. ,,Om het vuil uit je hoofd te halen”, zegt de vrouw uit Beijing.
Ze is een kwartier later zichtbaar tevreden met de oogst. Ondertussen ploegen de verkennende mannen door zware moessonregens in Brunei. Zeven motormuizen met een hart voor avontuur. Dat kan niet stuk. „Het is echter een weinig levendig groepje”, zegt de Belgische gids als ik hem ontmoet in hotel Ocean Pacific.
Ik noem het achteraf liever een kleurrijk groepje. Er is de lachende Boeddha, een corpulente wiskunde leraar, die de achterkant van zijn lach laat zien als hij een cijfermatig raadsel moet oplossen.
Dan hebben we de reserve-officier met staalharde ogen; de christen uit Assen die per se op de derde positie moet rijden; de altijd grappige onroerend goed magnaat die zich voorstelt als loodgieter; een geheimzinnige graficus die weinig spreekt; de Belgische advocaat die zichtbaar lijdt onder de politieke chaos in zijn land en niet te vergeten de uiterst sympathieke analist Ad, de enige zonder offroad-ervaring. „Het landschap schijnt mooi te zijn, maar ik zie weinig omdat ik op de weg moet letten. Vermoeiend, maar spannend.”
Na 190 kilometer, wat omwegen en directies van de lokale bevolking komen we de volgende dag eindelijk aan in Long Bedian. De modderpoelen in het centrum van het gehucht voorspellen niet veel goeds voor de komende dagen. De natte en droge seizoenen laten zich op dit twee na grootste eiland ter wereld ook niet meer voorspellen.
Het aggregaat wordt gestart voor de orang putih (witte man). Het regenwater stroomt in onze homestay langs de elektriciteitsmeter. Een plastic zak moet kortsluiting voorkomen.
De kaart dicteert de volgende dag, via het plaatsje Long Terewan, het indrukwekkende Mulu National Parc dat op de werelderfgoedlijst staat wegens de grootste grotten ter wereld, die pas enkele decennia geleden werden ontdekt. Drie miljoen vleermuizen hebben er hun heil gezocht.
„Iedere vleermuis eet dagelijks vijf gram insecten, in totaal vijftien ton”, weet de lokale gids. Het groene natuurwonder is slechts bereikbaar per boot. En zo zakken we met een longboat door het modderige water de Terawan-rivier af. De regen twijfelt. Soms strooit de lucht water uit, soms is het droog. Na twee uur doemen in een brij van donkere wolken eindelijk de grillige contouren van Gothham jungle op.
Nu begrijp ik waarom Borneo door de eeuwen heen altijd zo’n aantrekkingskracht op ontdekkingsreizigers heeft gehad. De neusaap kreeg ooit de bijnaam ’monkey Belanda’, in goed Nederlands Nederlandse aap, Ze lijken veel op de eerste missionarissen die aankwamen: grote neus en dikke buik. En nog steeds worden er onbekende dier- en plantensoorten gevonden, zoals onlangs een mini-kikker.
nNederlanders. Je zou het bijna vergeten, maar ze zijn overal. Ook in Mulu. Jeannine van den Boer is samen met haar vriendin Annet van Heertum al weken onderweg. „We hebben de mannen thuisgelaten. Die zijn niet zo van het avontuur”, aldus Van den Boer. Ze laat trots de leech socks zien die ze via internet bestelde. „Daarmee houd je de bloedzuigers van je lijf.” Dan vertelt ze bij wijze een juist welkom dat er een gekko op de badkamer zat. „Zo groot als een mini-krokodil.”n
Een natte tocht door de jungle brengt ons eind van de middag bij de inderdaad indrukwekkende Deer Cave. De zon houdt het voor gezien en zittend in de regen zijn we getuige hoe de vleermuizen in grote groepen de nacht infladderen. De mannen gaan de volgende dag naar de Clearwater Cave en Wind Cave. Bovendien staat er ’s werelds langste canopywalk op het programma.
Boomtoppen zijn aan elkaar geregen door een smalle brug van planken en touwen. Ik laat het wankele perspectief van de vogels aan me voorbijgaan. De volgende dag wacht een zware route naar Long Napir, een afgelegen Penang-settlement dat alleen is te bereiken via jungletrails en moeilijke rivieroversteken. Maar de natuur beslist anders.
De hemel breekt twaalf uur lang open en het grootste gedeelte van Sarawak, ’het land van de neushoorvogels’, komt onder water te staan, de brug tussen Long Seridan en Long Napir is ingestort, zo meldt de tamtam. Onze dappere half-Portugese motorgids Brandon met de toepasselijke achternaam Miles zagen we de afgelopen dagen niet anders dan in stoere motorkleding, maar de ochtend van vertrek, doemt hij op in onderbroek. Het huisje waar hij sliep is volledig ondergelopen. „Al m’n kleding is weggespoeld.”
Er moet een noodplan komen, zoveel is duidelijk. Het mag dan een pilotreis zijn, maar dieper de jungle in is onverantwoordelijk. Er zit niets anders op: we moeten terug met de boot naar Long Terewan waar de Chinese middenstander nog steeds zijn t-shirt aanheeft met vijftien redenen waarom je bier boven vrouwen moet verkiezen. Het argument: bier wordt niet jaloers als je nog een bier neemt, spreekt boekdelen.
Alle motoren en het illustere gezelschap worden op een nog langere longboat van staal gezet. De nieuwe route zal naar Long Lama gaan. Daar verstrijkt de dag in litanie. Op de hoek van Jl. Layang Layang en Jl. Lee Kai Tai probeer ik de familierelaties tussen de scharrelende honden te ontdekken, om de tijd te doden.
Enige voordeel van deze alternatieve route: nu staat ook voor mij de Islamitische hoogburcht Brunei op het programma. Het bijzondere oliesultanaat wordt geheel omringd door Borneo. Iedere vergelijking met een mini-Dubai is onterecht. De sultan mag dan de rijkste man ter aarde zijn en zijn vermogen delen met zijn bevolking (gratis medisch verzekerd, gratis onderwijs en goede infrastructuur), maar het land schreeuwt de rijkdom niet uit.
Oké. De huizen zijn indrukwekkender dan bij de Maleisische buren en de bevolking bezit gemiddeld twee auto’s per huishouden, maar daarmee houdt het wel een beetje op. Aan de horizon van al het groen fakkelen torens voor Shell het gas af. Als de volle maan verdwijnt achter de gitzwarte lucht, dient de nacht zich aan.
We stranden wegens gebrek aan benzine. Lastig. In Brunei verkopen ze geen brandstof aan Maleisische motoren, ook niet als er Nederlanders opzitten. Schermen dat Shell een heuse Nederlandse basis heeft, maakt geen indruk op de pompbediende. Een automobilist is welwillend om benzine te tanken, die we vervolgens als dieven in de nacht met een slang uit zijn tank overhevelen in lege flessen.
Eindelijk terug in Maleisië, in Limbang. Ook weer niet echt charmant. Borneo moet het vooral hebben van de natuur, zo lang die er nog is.
Morgen, in Long Lawas scheiden onze wegen zich alweer. Ik ga naar Kota Kinabalu, de hoofdstad van de staat Sabah, ’het land beneden de wind’ en terug naar de blauwe enveloppen in Nederland. De mannen blijven nog twee weken en proberen Maliau Basin, een stuk ongerept tropisch regenwoud, te bereiken.
Of het lukt is een groot vraagteken. De Belgische reisleider heeft besloten om mijn motor te verruilen voor het slechtste exemplaar met uitgelubberde ketting en vreemde geluiden in het frame. Maar hij bedenkt zich later. Een journalist die zonder back up strandt, daar zit ie ook weer niet op te wachten. Eindelijk alleen. Geen grappen, geen grollen, geen steken onder water. De motor, de vochtige omgeving, het asfalt en ik. Borneo op z’n best.
Marc Neyts maakt zijn opwachting in KK. Hij bleek achteraf al die tijd het veilige thuisfront te zijn geweest. De van oorsprong Brabander, beter bekend als Buffelo Bill, zeeg een jaar geleden hier neer en trouwde met een Kadazan vrouw. „Die bijnaam ontstond omdat ik als bruidsschat twee buffels moest inleveren bij de schoonfamilie. Mocht dood of levend.”
Met trots laat hij zijn nieuwste loot aan zijn avontuurlijke boom zien: „Ik wil in de voetsporen van de arts A. W. Nieuwenhuis het echte donkere hart van Borneo in, het Mullergebergte over en zien hoe traditionele Penehing Dayaks nog leven. Het wordt een zware tocht. Ga mee als je wilt. Het is een pilot, een groepsreis.” Ik beloof de enthousiaste ondernemer dat ik er serieus over na zal denken.

Reiswijzer
Wij vlogen met Malaysia Airlines ( www.MalaysiaAirlines.com), die dagelijks vanuit Amsterdam naar Kuala Lumpur een lijn onderhoudt. Ook vanuit KL naar Miri is een dagelijkse vlucht.
Voor avontuurlijke motorreizen, in de vreemdste uithoeken van de wereld, kun je terecht bij MotorTrails ( www.motortrails.nl).

Sabah
Kota Kinabalu is de hoofdstad. Hier komen veel backpackers naartoe op het begin of aan het einde van hun rondreis. Het Sabah Museum is een bezoek waard als je tijd hebt.

Sarawak
Kuching is een leuk stadje van waaruit je mooie dingen kunt opzoeken. Bezoek het openlucht museum en ga naar het Semenggoh Nature Reserve and Rehabilitation Centre waar ze Orang Oetans opvangen. Bako NP is echt prachtig en vlakbij Kuching. De locale bus doet er 45 minuten over en dan moet je nog 10 minuutjes met de boot. Dit is een mooie plek om oog in oog te staan met Neusapen en veel vleesetende planten. De Niah caves en Mulu National Park zijn hoogtepunten, maar lastiger te bereiken.

Poring
Poring is een plaatsje met heetwaterbronnen dat verderop in het park ligt. Met de bus ben je een uur onderweg om er te komen. De Japanners hebben er baden gebouwd. Geen grote zwembaden maar okselhoge stabakken. In dit gebied kun je ook een wandeling maken tussen de boomtoppen en de raflessia zien (als je geluk hebt).

Kinabatangan rivier
Een meerdaags verblijf aan de Kinabatangan rivier is een absolute aanrader. Je gaat een paar keer per dag de rivier op met een bootje in de hoop beesten te zien. Dit is waarschijnlijk je enige kans om een Orang Oetan in het wild te zien! Verder zijn er neusapen en nog een paar andere apensoorten, veel vogels en kaaimannen. Wanneer je heel veel geluk hebt kun je de Borneo Pygmee Olifanten zien!

Sipadan
Sipadan is een van ’s werelds top duik/snorkel locaties. Alle accommodatie is van het eiland verbannen om het rif te beschermen. Ook zijn er beperkte plekken beschikbaar voor duikers en snorkelaars. In het hoogseizoen moet je echt vooruit boeken! Maar het is absoluut een van de mooiste plekjes op de wereld om onder water te kijken!

Sepilok
Sepilok is 25 kilometer buiten Sandakan en wordt voornamelijk bezocht om zijn orang oetan-centrum.
In het centrum vangen ze (voornamelijk jonge) orang oetans op die verweesd zijn geraakt of toch geen geschikt huisdier bleken te zijn. De jonge apen moeten gestimuleerd worden om hun eten te gaan halen op een platform in de jungle. Hiervoor moeten ze klimmen en slingeren en hun angst voor het bos verliezen, terwijl de makaken het eten proberen te stelen.

Mount Kinabalu en National Park
Vrijwel iedereen gaat hierheen om in twee dagen naar de top van de hoogste berg van Zuidoost-Azië klimmen. Het is een relatief makkelijke klim. Onderschat het echter niet. Hoogteziekte kan parten gaan spelen en wanneer het bewolkt is of zelfs regent kan het laatste stuk levensgevaarlijk zijn!
Het graniet is spekglad en je loopt er in het donker zonder relingen. Maar wanneer je op een heldere dag (of moment) op de top staat is dat zoals een top moet zijn! Het park heeft ook andere wandelingen, een botanische tuin met de duurste en de kleinste orchidee ter wereld.

Bron: De Telegraaf

door: ROB HAMMINK

High wave torpedoes brother’s rowing adventure on the Atlantic Ocean

Shark in the wake….

By ROB HAMMINK

ATLANTIC OCEAN, Friday. He says it calmly, but it’s a hard message and frustrates his aim of crossing the Atlantic Ocean unsupported in a rowing boat. “The Zeeman Ocean Challenger won’t make it if we don’t stop. Our wind generator broke off after an eight-metre-high wave came over the side. At that point we’d done about a thousand kilometres since we set off. Another problem was: I’d just sat down on the loo. You don’t want to know what a mess that made in the boat. Then: Oh yeah, and I broke my toe while falling about in my own waste products. But that’s just a detail.”

Ralph Tuijn may have lost his energy supply, but his North Holland humour, a healthy cynicism, seems to have remained at least. He called yesterday afternoon via the satellites from his supersonic rowing boat, which set off across the deep blue sea for windswept Curacao (where he hopes to arrive in mid-December) from the Canary islands on the 27th of September. Tuijn, a restless professional adventurer who is often to be found on his bike in cold areas, is undertaking the rowing journey together with his brother Mike. Two hours on and two hours off.

“We’ve got quite a big problem now. We do of course need energy for our GPS, radar and marine telephone. But the most important thing is the water provision, which is now in danger of running out. We have an electronic device that turns salt water into fresh water. It would be irresponsible to continue on so we’re going to make a stop at the Cape Verdean islands. We’re about three hundred miles away from them now. We’ll manage if we can just grin and bear it.”

Apart from a few blisters from sitting and rowing, the journey has been going like clockwork up to now. The weather is being good to the brothers as well. The short exchange over the telephone would seem to indicate that it always has been, in fact. Temperatures of 28 to 30 degrees Celsius by day and by night not much colder than 20. It is as though the vast kingdom of the sea is revealing itself in all its glory. “The flying fish have leapt on board more than once, but we’ve not much use for them – they’re far too meagre to make a meal of. We’ve seen all sorts of dolphins and whales and the day before yesterday there was a shark following our rowing boat for a few hours. It was probably waiting for one of the Tuijn brothers to lose his footing for a moment. We ourselves are managing with just dried food. The spaghetti walnut is by far our favourite – not forgetting the chocolate mousse, of course.”

At this point the connection is suddenly broken and we leave the men to their own devices. Once Ralph Tuijn has set foot on Curacaoan soil, it won’t be long before he goes aboard the same rowing boat again to attempt to row from Panama to the Australian city of Cairns. This monster rowing trip will take approximately nine months and will be accomplished this time without his brother – he will be completely alone.