Siroop van de ziel

Nimmer en nooit

vond ik mijn weg

van wezen en ziel

hartstocht en verlangen

eenheid en deernis

dan in dichterij.

De woorden onbeduidend los,

maar zo vol kracht ineen.

Siroop van de ziel,

door de lezer aan te lengen

met eigen gekte en idee.

Gaia ik heb u lief

Het stijve lid was toen een lidje,

priemend, vooruit met de geit.

Niet wetend wat te doen

geen enkel vrouwenbeen werd gespreid.

Zo liep ik door de Posbank

een natuurgebied met glooiing.

Verjaardagen werden er gevierd,

onze jaarlijkse verstrooiing.

Ik was acht.

Nog staat gegrift in mijn geest

het penetreren van een duin.

Hoe ik moeder aarde schaamteloos nam

met mijn lidje en een dunne duim.

Ex-vriendin (no. 24)

Jouw lichtbruine huid, spekglad,

gepolijst door natuur en mijn vingers.

Miljoenen vezels, vleesgeworden perfectie.

Zonder bulten, gaten en vuige flebber.

Nooit een druppel pus,

geen verdwaalde haren

priemend spiedend

vanuit erogene zônes.

Geen hangende, prangende borsten

dooraderd als veel te oude kazen.

Minuscule tepels

als twee afwijkende culturen,

waarvan één uitdagend en verhard,

de ander oppervlakkig en introvert.

Een buikje als een landingsbaan.

Als je lacht, zie je

hoe later je gezicht zal zijn:

kleine deltawerkjes zijn hun tijd vooruit.

Je bent zo fraai, van buiten.

Paradoxaal groeien

Ieder stap,

een stap dichter bij de dood.

Stap maar door mijn vriend,

van stappen word je groot.

Gevederde onanie

Kussen reisden ooit voor een kwartje.

Langleve de telefonie!

Erotiek werd gestut door palen

met daartussen mussen als

balancerende noten van een liefdeslied.

Nu stralen gesmak en klefheid door.

Communiceren natte kussen,

gedragen door zenders, schotels

en de koude nacht,

langs trekkende vogels.

Autarkie

Jij was mijn spirituele siamees,

begreep wat ik dacht te zeggen.

We vertrouwden elkaar in en door,

als twee mensen met hersenen vergroeid,

in onwrikbare gemeenschap en idee.

Nooit meer de angst van eenzaam zijn.

Geen dwaling door eindeloos zwart.

Toch bleek de illusie

door geen fundament gedragen.

Nooit, denk nooit mijn medemens,

dat diep gewortelde vriendschap

voeding vindt in de basis van een ander.

De Achterhoek

Als centrum van mijn leven lig je daar,

ver van drukte ontheven.

De boerenpet dat geen verstand te boven gaat.

Zelfs het gras is zichzelf gebleven.

Hier dolen mythen onverstoorbaar voort,

dartel door kabouterland.

Holle bomen vol verhalen,

ze dansten in mijn kinderhand.

Dit stukje Nederland zit in iedere vezel,

het is de baarmoeder waarin ik rust.

Eindig zoals alles.

Het afscheid wordt door moeder weggesust.

Met 150 km/u

verdwijnen koeien uit mijn spiegel.

Koers westwaarts, de chaos in.

Geen moment zo pijnlijk

als even voor Arnhem de navelstreng knapt

en de stomkop -wederom-

in zogenaamde beschaving is getrapt.

Mannen van nu

Droesem rust in de hersenkwab.

L’ homme controlée, Pineut Pinot.

Week na week verhard verhard.

Als tegenstellingen overeenkomstig zijn.

Niets de bekende plaats meer heeft.

Als muziek druipt uit een verkouden trompet.

Het zijn die spinsels zonder kop en staart

met 13.000 poten,

in elk echter een glas gemberbier

met daarop zogend schuim als zog

van een nieuwe moeder.

Een verdwaalde moederkoek, die ligt als worstjes

opgedeeld naast blokken kaas en bitterbal.

Het is niet de wereld van

mannen met kalende hoofden,

die biljarten met hun knar als keu,

bal tegen bal,

omgeven door biefstuklachende vrinden.

“Hear hear zo gaat goed ie goed amice.”

Blauw krijt op krijtpakken met revers als vleugels

waarmee niet op te stijgen valt.

Mannen gevangen tussen duidelijke lijnen,

verdikt door pretenties van 33 kilojoule per aandeel.

Ze hebben te bruine koppen en weten niet

dat het zonnestront is, uitgescheten pindanoten.

Armoedig stel zonder kleurrijke rijkdom.

Nooit zien zij de groene invalide koeien,

strompelend door de Kalverstraat

met rode regenpakbroeken, likkend aan hun ijsjes.

Er is geen oog voor verdwazing door verbazing,

alleen oog voor de heilige drie-eenheid van nu

waar ritmisch in te rijden valt: vrouw, vriendin en auto.

De twee- en vierkleppers van de hedendaagse mannensoort.

De diepte van de oppervlakte

In de oudheid schoot hij wortel als conifeer

en dacht: ‘dit is niet alles, ik wil meer’.

Zodoende ontwikkelde de aubergine zich tot banaan,

op zichzelf niets bijzonders, de soort had ’t vaker gedaan.

Maar dat alles was eeuwen geleden

toen wij mens als aap uit bedompte holen gleden.

De banaan bleef onrustig, gekromd van spanning,

en de tijd veranderde door en door.

Alles dat wat was,

niets bleef hetzelfde

van vorm van kleur van plaats.

Wij allen te midden van

de voortdurende voortgang,

die herkenning vermorzeld.

Blijvend zijn er mensen die anders willen zijn.

Druk doende met de tijd te spiegelen,

met het creëren van andere waarheden

waar  heden geen touw aan vast te knopen valt.

Om het anders, om het ‘kijk mijn unieke imago’.

Het lijken creatieve jongleurs, gepierced en anti.

Maar ach, ook dat zijn herhalingen in zichzelf.

Onrust en verandering

worden al eeuwen gedragen

door het leven zelf.

Organische rijkdom

Uitdrukwekkend

verliet een warme wind mijn warme lijf

waar warme dekens warme herinneringen warm hielden.

Zo de koude koude buiten sloot.

Buiten, in een wereld waar goud niet gauw verzilverd werd

en zo de financiële successen vervlogen

met een lauw gestemde bries,

niet eens een warme wind.