Oostelijke odeur

“Altijd welkom,” riepen zij uit in tijden van weleer.

Toen waren er zuilen van geloof en hoop.

De varkens kregen voedselresten, de mussen kruimels brood.

Oost en west lagen uren uiteen,

als een grove deling tussen stads en boers.

Lakens lagen op gazons fris blekend.

Mijn grootmoeder goot haar gieter leeg en zong.

Van haar mocht ik plassen in een holle boom,

daar waar de kabouters zwommen.

Het was oost,

het land der reuzen, ik was zo klein.

Zwerven kon je tussen de korenaren,

voedsel van het land als labyrinth.

Je had bij grootmama zolders, wel drie.

Daarop lag stro, herinneringen, sporen van de oorlog en dode muizen.

Het waren plekken van spanning, angst, door ons met gehuppel doorkruist.

Ook op zolders vervliegen tijden, al lijken ze eeuwig te rusten.

Het was het geïsoleerde oosten van toen.

Waar families met incestueuze koppen de jaarlijkse kermis verziekten.

Waar op zuurstokken werd geknaagd als enig zoet.

Gevrijwaard was het gebied van theaterdramatiek,

dat speelde zich af in de keuken met smout en zelfgemaakte groentesoep.

De knechten van grootvader namen je op de slip,

op hun knie reed je paard.

Fenomenen als homofilie en incest kenden ze niet

en daarom bestonden ze niet, als woord.

Op een veilingkist wachtten de beschuiten met suiker.

Wat hadden de ‘jongens van het land’ het goed bij ons.

Het was een wereld waarin ik me veilig voelde

en waarin alles zo oprecht leek.

Nu sta ik te wachten op de grachten.

Een fietser steekt zijn middelvinger op,

mensen zo scherp als messen.

Ze spugen hun rochel op dampende hondenpoep.

Alles op elkaar gepakt, geen ruimte van geest.

Er is geen naïeve liefde waarin feeën dartel dansen.

Waarlijk zou je kunnen zeggen: er is geen mest in de west.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *