Broer II

Joep, je ogen zijn zo blauw,

erin huist de onschuld van een kind.

Je lonkt als een charmeur

zonder te weten hoe de wereld van passie,

van rijbewijzen, van hypotheken drukt.

Je bent een mens, mijn broer.

Levend met lucht, longen, slaap en ochtendgloren.

Je bent lief.

Je gedachten en wil lijken zo simpel,

maar zijn diep en helemaal van jezelf.

Je eist, prijst, zoekt naar geluk, jouw geluk;

dat van horlogebandjes, radio’s.

Ik ben broer Rob.

Iedereen heeft een plekje in jouw geest.

Achter het plastic van je portemonnaie

zijn soms vreemden gevangen,

mensen die wij niet kennen, maar

leven in het volle leven dat jij leidt

daar ergens op de Veluwe waar anderen

zoals jij een eenheid vormen.

Anderen zoals jij… ze bestaan niet.

In alle eenvoud ben jij kleurrijker dan wie ook.

Vroeger begrepen we elkaar niet, niet echt.

Jij wilde zwemmen en mocht niet.

Je was een broer, die ik miste in het chloor.

Waar was je al die jaren, waar ben je nu?

Ver weg droom jij je dromen, je bed, je ochtendjas met vlekken.

Je speeksel vloeit, ik schaamde me ooit.

Nu heb ik spijt dat ik als kind jouw kinderlijkheid niet begreep.

Ik groeide door en doe de trucjes, die worden verwacht;

jij doet wat je wilt.

Wie is er gelukkiger, mijn grootste vriend?