Minnemoer

Haar dunne nek Draagt een kraaiennest

Zij kwetelen letters tot zinnen, tot betoog Meer gekwetel, meer Gelijk

Misschien is het zoeken naar die ene zin De zin der zinnen Waarin, zo niet veel, dan toch Alles besloten ligt

Hoe meer zou minder zijn Die ene punt Dat ene punt .

We vergaren en warmen ons Aan de grenzeloosheid van alles Alles als groter van meer Meer van nooit genoeg

“Mag het een Onsje meer zijn” De twijfel van meer die uitstierf

Ach het is de minnemoer, de zoogster Aan haar trotse tepels hangen wij te zuigen De zoogster als bron van het leven zelf Als bron van alle kwaad

Geboorte bron .]]