Zware kick

Prijswinnaar Richard Morren geniet in Peking, maar mag niet bungeejumpen

Richard Morren met zijn grootste kick: zijn vrouw Iris Gerritsen.

HIJ IS EEN man met een missie. Of liever: een man met een prijs op zak. Nog beter: een man met een gratis levensuitdaging. De 30-jarige Richard Morren is hoogstwaarschijnlijk de enige Nederlander die afgelopen week in het olympische Peking zijn eigen sportieve prestatie wilde neerzetten. Dan vergeten we voor ’t gemak alle bierrecords die door landgenoten in het Holland Heineken House werden gebroken. Morren zou vooral zijn eigen kicks gaan beleven en grenzen verleggen. Tenminste, dat was de bedoeling…

PEKING, zaterdag
Op iedere verdieping van het Asia Hotel, in het chique centrum van deze 15 miljoen koppige wereldstad, staat een meisje in een onopvallend grijs mantelpakje met een blocnote in de aanslag. Zij houdt als een geest de bewegingen van de gasten nauwgezet bij. „Voor uw veiligheid”, is het excuus in gebrekkig Engels. Als Richard Morren in zijn badjas mijn kamer binnenkomt, turft ze zijn entree zonder expressie op haar gladde gelaat. De 104 kilo zware man uit Hoofddorp kan zich niet druk maken over deze dubieuze naweeën van de tot in het beenmerg gecontroleerde staat.

„Man, peanuts. Prachtig dat we hier zijn. Ik ben nog nooit buiten Europa geweest en dacht dat ik dit jaar niet verder zou komen dan een vakantiehuisje in de omgeving van Putten. Nu zitten we hier op een historisch moment.” Er verschijnt een grimas als die van de lachende boeddha. Duidelijk: we hebben te maken met een buitengewoonrelaxt exemplaar dat opgewekt door het leven stapt.

Er is echter één kort moment dat hij een frons trekt in zijn massieve sympathieke gelaat. „Dat bungeejumpen, die diepste sprong mogelijk in China, daar zie ik eigenlijk tegenop. Het schijnt dat ze je een half uur ondersteboven laten bungelen. Niet goed voor je bloeddruk. Ik ga ervoor als jij ook gaat.”

Peking is even het centrum van de wereld en Richard Morren en zijn vrouw Iris Gerritsen (27) staan er midden in, bij groot toeval. Richard werd, simpelweg met het invullen van een fustcode, winnaar van de Club BeerTender en daarmee winnaar van een droom. Nog steeds met die laconieke grimas: „Ik had al eens een badjas gewonnen en dat ding was reuze handig toen onze Dylan een half jaar geleden werd geboren. Moest regelmatig m’n bed uit. Je rekent daarna niet op de hoofdprijs. Opeens staan er op je werk Chinese dames met een reis naar de Olympische Spelen!” Inmiddels is Iris erbij gekomen en is ook genoteerd. De wenkbrauw van de notuliste trok even op, dat wel. Iris: „Deze reis, op dit moment, maak je maar eens in je leven. Ik sprak gisteren twee nichtjes die jaren hebben gespaard om hier nu te zijn. Ik voelde me bijna schuldig.”

Het programma is intensief, zeker als je vier keer moet overstappen in de nieuw aangelegde metro en je geen taxi’s kunt krijgen, terwijl je op tijd moet zijn voor de wedstrijden. Niet makkelijk in een stad ter grootte van 16.800 km2 en waar de gemiddelde taxichauffeur niet verder komt dan Oké en Yes om vervolgens twee uur de volstrekt verkeerde kant op te rijden.

Voordat Morren de ultieme sprong in de diepte van het Qing Long-ravijn zal maken, gaat onze driekoppige karavaan de eerste dagen langs een wedstrijd van dameshockey, judo, beachvolleybal en uiteindelijk naar het olympische Mekka: het Vogelnest waar alle atletiekwedstrijden plaatsvinden. Daar zat Morren op de bovenste tribune als Zeus zelf en zag dat het goed was. Nou ja zag. Ik zag niet zoveel, maar de grootte van het stadion, al die duizenden juichende mensen, dat was voor mij genoeg. Het grappigst vond ik de hockeywedstrijd Nederland-China. Dat heteaardappelcommentaar op de tribune was uniek. Ik had nog nooit gehoord dat de meiden moesten schuiven en punten moesten drukken. Ik dacht dat ze gewoon een doelpunt moesten maken. Judo was bijzonder omdat we een medaille haalden.”

Kippenvel

Iris, van huis uit psychologe, valt in: „De huldiging van Edith Bosch daarna in het Holland Heineken House was aangrijpend. Ik kreeg kippenvel van de heersende harmonie.” Morren geeft toe dat beachvolleyball de meeste indruk maakte. „Het was zonnig en de sfeer in het Oranjekamp was goed. Grappig hoe twee verdwaalde Chinezen bier voor al die Hollanders gingen halen en een Australiër zich broederlijk bij ons voegde, ondanks dat zijn land van ons verloor.”

Dan wordt het tijd voor de uitdagingen van Richard zelf. Hij heeft genoeg van het gehang op tribunes, genoeg van het geklooi met chopsticks. Tijd voor actie, tijd voor harde grensverlegging. We rijden vandaag bijna honderd kilometer naar het noorden, richting het Quing Long-ravijn, een natuurpark waar  zich ook het waterreservoir voor de hoofdstad bevindt. In deze sprookjesachtige omgeving, met authentieke, niet gerestaureerde delen van de Grote Muur, meandert de rivier de Blauwe Draak. We bestijgen duizenden treden voordat we eindelijk de hoogste bungeejumptoren van China zien.

Morren zweet, puft en vraagt zich hardop af waar hij aan begonnen is. Iris blijkt zijn grootste mentale coach. „Dit is de kans van je leven Rich.” Maar Rich twijfelt. Hij toetst mijn bereidheid en die is – eerlijk is eerlijk – tot het niveau walnoot verschrompeld. Uhhh, ik had vroeger een speelgoedautootje en daar liepen de banden altijd vanaf. Made in China stond op de onderkant. Ik heb het niet zo op Chinees rubber… Morren toont zijn kracht en mijn jeugdtrauma demotiveert niet. Terwijl we bij de kassa aankomen, haalt hij diep adem. Hij gaat ervoor! De caissière informeert voorzichtig naar zijn gewicht. „Solly, above hundeld kilo no jump. Govelment not allow.” In het kort: nu Peking in de schijnwerpers staat, wil de regering geen dode toeristen aan een gebroken elastiekje. Het is onduidelijk hoe Morren zich voelt. „Opgelucht, maar ook teleurgesteld. Ik ben hier voor m’n mannenkick. Hoe verkoop ik dit aan mijn vrienden thuis?”

Lekker spelevaren op de Witte Rivier.

We zoeken een oplossing, maar de gids ziet niets zitten. Ik vuur wat ideeën af. Schieten? Ze reageert onderkoeld: „Het leger heeft alle kogels ingenomen tijdens de Spelen. Niet mogelijk.” Met een Ferrari over het Tiamenplein? „De regering heeft dat afgezet en buitenlanders mogen niet rijden hier.” Speerwerpen in het Vogelnest? „Zeker een grapje…” Parachutespringen dan? „Kan ook niet, wegens de Spelen. Nee, aerobatics vliegen ook niet.” Uiteindelijk volgt een waanzinnig mooie tocht door Huairou-county naar de afgelegen Witte Rivier (Bai He), waar goedwillende amateurs raftsensaties aanbieden. Gele boten, verkrijgbaar in de slechtere speelgoedwinkel, liggen op de kade. Alleen het leger oefent hier. We worden de rivier opgeduwd. De drie kilometers bieden twee zoetsappige stroomversnellingen en een natte onderbroek, dat was het zo ongeveer. Leuk, maar niet echt een mannenkick, laat staan een heldenprestatie waarmee je vrienden in de kroeg de mond snoert. Een oude jeep pikt ons op en scheurt terug over eindeloze modderpaden.

Toch nog een echte mannenkick: scheuren in een oude jeep over modderpaden.

Now we are talking! Water spat aan alle kanten over ons heen en het is moeilijk overeind te blijven. Richard en Iris genieten en schreeuwen het uit. Dan begeeft de motor het en daalt de stilte en schemering over ons neer. De zon zakt onder de grillige kim en het is de vraag of we hier nog wegkomen vannacht. Ik zoek alvast een plek voor de nacht. „Als je zoekt, vind je het niet. Het onverwachte verrast”, zegt Iris. De Chinese wijsgeer Confusius zou onder de indruk zijn. Richard slaat zijn enorme arm liefdevol om haar heen. Hij heeft zijn grootste kick gevonden. Made in Holland.

Door: Rob Hammink
Foto’s: Telegraaf
Bron: Telegraaf]]

Over reportages

Tekst en foto’s.
Ik heb altijd geprobeerd om tussen de twee disciplines een natuurlijk huwelijk te sluiten. Lastig, soms. Zeker in gespannen situaties, wanneer tijd niet je beste vriend is. Schrijven is een exploderend proces: je hebt een onderwerp en dat werk je, jonglerend met woorden, uit. Daar moet je rust voor nemen. Fotograferen voltrekt zich langs de lijnen van de implosie: je hebt allerlei prikkels en die sla je in 1/15e van een seconde, of sneller, plat tot twee dimensies. Er zijn weinig journalisten die op beide fronten goed werk afleveren. Ik heb respect voor mensen die deze creatieve spagaat maken zonder dat het ene fenomeen onder het andere lijdt.]]

Parijs-Dakar´-tycoon gaat arm binnen-Mongolië op de kaart zetten

Het zal misschien nog een decennium duren, maar China koerst met onnavolgbare snelheid af op de status van leidende wereldmacht, die niet meer lijdt. Het Rode Boekje van roerganger Mao is ondertussen bij de lokale Slegte te vinden en de overheid probeert het rijke westen te imiteren. In de vaart der volkeren horen daar ook rally’s (lokaal uitgesproken als lally’s) bij. De tycoon van Paris-Dakar, de Fransoos Hubert Auriol, reisde naar China om zo’n ‘lally’ te organiseren in Binnen-Mongolië. De eerste stappen werden afgelopen week in het gigantische land gezet. De Telegraaf was er exclusief bij.

HULUNBEIER (China), zaterdag De motorkap is afgescheurd en zit al dagen met een dubieus ijzerdraadje vast. De versnellingsbak heeft veel weg van een bak yoghurt en de richtingaanwijzers zijn er afgevallen, maar niemand weet wanneer. Kortom: de auto lijkt op een hondenhok waar kilo’s degelijke Chinese klei vanaf druipen. Tot overmaat van ramp heeft vandaag de motor de geest gegeven. Niet meer aan de praat te krijgen.

Ons uitzicht geeft niet veel reden tot hoop: alle 360 graden leveren het beeld van een vlak oneindig grasveld op. Het was vijf dagen zonnig, maar tijdens een crash is het natuurlijk koud, het regent en we zijn nat tot de laatste draad van de boxershort. In zo’n geval, waar je de gehele communistische partij vervloekt, biedt droge Brabantse humor uitkomst. „Zo, die kan bij de Speurders. Te koop: leuke terreinwagen, altijd binnen gestaan, van oud vrouwtje en weinig op de teller.” Dat laatste klopt overigens, want sinds ons vertrek vanuit Hailaer is die teller blijven staan op 33.278 km. Heel onhandig als je een rally moet rijden volgens de wetmatigheid van ‘pijltje-bolletje’.

Eric Verhoef raakt blijkbaar niet snel overstuur in dit soort situaties. Dat is nogal handig als je nationaal erkend rallyrijder der Lage Landen bent met elf Dakars op je naam. Hij reed er zeven helemaal uit. Rijp voor een tegeltje was zijn beste uitspraak eergisteren, toen ik als een – nu we toch in de buurt zijn – Mongool door het landschap stuiterde: „Rustig rije. Bewijzen doe de ge maar in de slaapkamer.” Eindelijk een stipje aan de horizon. Een verlossende auto neemt ons mee naar de finish.

Twee weken geleden: de 38-jarige man uit Veldhoven belt naar de redactie. Opgetogen klinkt het in onvervalst Brabants: „Gij doet toch iets met avonturen. Di is kei gaaf man. Een rally in China! Nog nooi vertoond. Doe de gij mee? Ik mag een co-piloot/navigator uitnodigen.”
De motorfanaat was op zijn beurt weer uitgenodigd door ‘Monsieur ‘1 Afrique’, ook bekend als Hubert Auriol, die, op verzoek van de Chinese autoriteiten, een rally in hun provincie Binnen-Mongolië in elkaar mocht zetten voor een zeer select aantal Europese rallyrijders. Onderliggende en nooit uitgesproken gedachte van de Chinezen is natuurlijk om Binnen-Mongolië op de kaart te zetten voor rijke westerse investeerders. Want wees eerlijk: welke sterveling weet waar Binnen-Mongolië ligt?

Auriol, de man die na eigen successen tijdens de fameuze rally Paris-Dakar het estafettestokje als organisator van dit evenement overnam in 1994, zag direct een geweldige uitdaging. „Ik was geïmponeerd door de grootsheid en diversiteit van het landschap. Tel daarbij de geweldige gastvrijheid van de lokale bevolking op en ik zag de haalbaarheid voor Green Raid. Geen echte harde rally, wel een sportieve proeve voor alle mensen die met een 4×4-aan-gedreven auto nieuwe horizonnen willen ontdekken. En juist dat biedt geheimzinnig China natuurlijk als geen ander land. De deuren stonden op een kier en zijn door dit initiatief nu echt geopend.”
Het aangewezen terrein, in dit 1,3 miljard zielen tellende land, werd de provincie Binnen-Mongolië, dat ingesloten ligt tussen Siberië en het oostelijk deel van de Gobi-woestijn, om precies te zijn in het meest noordelijke district Hulunbeier, een gebied zo groot als Frankrijk, maar slechts bevolkt door acht miljoen mensen. Een prachtig decor dat met zijn uitgestrekte steppen, grillige bossen en hoge plateaus met grasland iedere verbazing overstijgt, zo werd het onontdekte rijk voorgesteld.
Na een vermoeiende tocht vanuit alle delen van Europa komt het illustere rallygezelschap aan in Peking, het huidige Beijing. Van daaruit met een binnenlandse vlucht naar de hoofdstad Hailaer, waar de Moeder aller avonturen zal beginnen. Kleine deceptie is het niveau van de afgeleverde auto’s, of liever de afgeragde vierwielers, waarmee we vijf dagen, vaak off road, door het land zullen crossen. „Terwijl er toch echt prachtige Landrovers waren beloofd. Goed dat we deze trip, waarvoor deelnemers zich pas volgend jaar kunnen inschrijven, hebben georganiseerd”, aldus Auriol. „Het communicatieprobleem blijft, maar de kinderziektes hebben we in kaart gebracht en kunnen we nu wegwerken. Voordat we dit product samen met de Chinezen in de markt zetten, moet er nog wat water door de Amur (hoofdrivier in Binnen-Mongolië – RH).”

Het lot wil dat Eric Verhoef en ik, via een ondemocratisch principe, auto nummer 009 krijgen toebedeeld met de vering van een invalide kameel. Hiermee moet dagelijks meer dan 500 kilometer door ruig en stoffig landschap worden gestuurd, maar de schoonheid ervan maakt veel goed. In iedere stad waar we aankomen staan rijen mensen langs de kant opgesteld. Kinderen zwaaien met vlaggetjes tegen een achtergrond van hoekige architectuur, die letterlijk uit de grond wordt gestampt. Nieuwe tijden komen. Overal militairen en politie om de Europese gasten het gevoel van veiligheid te geven.
Oude tijden leven alleen verder op het platteland, waar dorpen slechts door een dunne elektriciteitsdraad aan elkaar worden geregen. Uitgestrooid over het landschap rennen wilde paarden en af en toe schrikt een koe op als we rakelings langsrijden. In de reeks droge opmerkingen is „dat wordt een uier vol zure melk” toch weer een toppertje van Verhoef. Boeren op stokoude tractoren rijden buitenproportionele balen hooi naar hun stallen. De streek maakt zich op voor de winter, die hier de mensheid mangelt met temperaturen van 30 graden onder nul. Dorpelingen boden hun simpele onderdak en uitgebreide eten aan. Huiden als perkament, waarop het zware boerenleven is af te lezen. Overal waar we kwamen waren er ceremonies, ceremonies en als grote verrassing ceremonies.

Terwijl we vijf dagen lang door Binnen-Mongolië stuiteren, krijgt onze nationale motorbikkel naast me een duidelijk gezicht. „Toen ik vijf jaar was, gaf ons pap me een zelfgemaakte crosser. Zo is het allemaal begonnen”, zegt Verhoef terwijl hij zich door de stofwolken van onze voorgangers heen worstelt. „Dakar is dan natuurlijk het hoogste doel dat je kunt bereiken als enduro-rijder, dus schreef ik me in 1988 als motorrijder in, als jongste deelnemer ooit. Er is in dat jaar en de jaren daarna tijdens Dakar veel misgegaan, teveel mensen zijn overleden en ik heb mijn ambities bijgesteld. Een bijkomend probleem was ook dat in Nederland de sponsors niet echt warmlopen voor Dakar.” Lachend: „Het bleef dus sudderen tot 1997. Toen begon het virus weer op te spelen. Ik moest en ik zou weer gaan. Iedereen raadde het me af. Minimaal gesponsord stond ik dat jaar aan de start met een reserve-onderbroek, een tandenborstel en een zwaardere hypotheek op mijn huis. Daarna heb ik geen jaar overgeslagen.”

Nu hij onze 009 dwars door een wei stuurt: „Het verschil tussen een motor en een auto is groot. Je ervaart op een motor alles directer. Bovendien ben je zelf de kreukelzone.” Met een bijna fataal ongeluk in, Dahkla (Egypte) weet Verhoef waar hij het over heeft. „Dit avontuur van Hubert is geweldig en is nog nooit vertoond in rallyland. Ik zie wel potentie in deze kant van de wereld, want waar heb je nog zoveel ruimte? In Nederland zouden er voor de start al vijf actiegroepen achter het prikkeldraad van zo’n wei staan. Dit is een prima manier om wat plezier in de Chinese brouwerij te brengen. En daar gaat toch om in dit leven? Nie dan?”
De charmante Wei Ching, tot haar 18e opgegroeid in Shanghai, maar daarna richting Zwitserland vertrokken, ziet het allemaal een tikkie genuanceerder. Ze zit als een spin in het web van de kersverse Raid. „Ik heb het zelf allemaal in werking gezet, na het verzoek van de Chinese overheid. Toch blijf ik zitten met een dubbelzinnig gevoel. Het is mijn land. De mensen hier zijn zo puur en vriendelijk, ze geven niet om geld. Ze geven omdat ze willen geven. Hoe zal dat zijn als hier de rally volgend jaar komt? En het jaar daarop en het jaar daarop… Toch ben ik blij dat je bent gekomen om Binnen-Mongolië, dit vergeten en arme gebied met zoveel potentie en grondstoffen, op de wereldkaart te zetten. China en haar jeugd moeten verder en geld speelt daarbij belangrijke een rol. Helaas.”

High wave torpedoes brother’s rowing adventure on the Atlantic Ocean

Shark in the wake….

By ROB HAMMINK

ATLANTIC OCEAN, Friday. He says it calmly, but it’s a hard message and frustrates his aim of crossing the Atlantic Ocean unsupported in a rowing boat. “The Zeeman Ocean Challenger won’t make it if we don’t stop. Our wind generator broke off after an eight-metre-high wave came over the side. At that point we’d done about a thousand kilometres since we set off. Another problem was: I’d just sat down on the loo. You don’t want to know what a mess that made in the boat. Then: Oh yeah, and I broke my toe while falling about in my own waste products. But that’s just a detail.”

Ralph Tuijn may have lost his energy supply, but his North Holland humour, a healthy cynicism, seems to have remained at least. He called yesterday afternoon via the satellites from his supersonic rowing boat, which set off across the deep blue sea for windswept Curacao (where he hopes to arrive in mid-December) from the Canary islands on the 27th of September. Tuijn, a restless professional adventurer who is often to be found on his bike in cold areas, is undertaking the rowing journey together with his brother Mike. Two hours on and two hours off.

“We’ve got quite a big problem now. We do of course need energy for our GPS, radar and marine telephone. But the most important thing is the water provision, which is now in danger of running out. We have an electronic device that turns salt water into fresh water. It would be irresponsible to continue on so we’re going to make a stop at the Cape Verdean islands. We’re about three hundred miles away from them now. We’ll manage if we can just grin and bear it.”

Apart from a few blisters from sitting and rowing, the journey has been going like clockwork up to now. The weather is being good to the brothers as well. The short exchange over the telephone would seem to indicate that it always has been, in fact. Temperatures of 28 to 30 degrees Celsius by day and by night not much colder than 20. It is as though the vast kingdom of the sea is revealing itself in all its glory. “The flying fish have leapt on board more than once, but we’ve not much use for them – they’re far too meagre to make a meal of. We’ve seen all sorts of dolphins and whales and the day before yesterday there was a shark following our rowing boat for a few hours. It was probably waiting for one of the Tuijn brothers to lose his footing for a moment. We ourselves are managing with just dried food. The spaghetti walnut is by far our favourite – not forgetting the chocolate mousse, of course.”

At this point the connection is suddenly broken and we leave the men to their own devices. Once Ralph Tuijn has set foot on Curacaoan soil, it won’t be long before he goes aboard the same rowing boat again to attempt to row from Panama to the Australian city of Cairns. This monster rowing trip will take approximately nine months and will be accomplished this time without his brother – he will be completely alone.

War Child and Warchild

Inconsistencies in the source text:
Lapierre and LaPierre
War Child and Warchild
Je noemt de leeftijd van Van Meerwijk twee keer, één zal toch genoeg moeten zijn?

The suffering in post-colonial India has brought forth many great names. Those of Ghandi and Mother Teresa have been committed to the history books for all time. But this poverty stricken and advancing world power has many saviours who have rescued the lives of millions while they themselves are shrouded in complete anonymity. They work in a hell of mud, disease, famine and natural disasters. Incredible India. French author Dominique Lapierre (78) is the linchpin of these invisible people on a disturbed world stage. The pen is Dada Dominique’s instrument for drumming up huge sums of money and donor support. This week he travelled, together with his Dutch conscience, friend and philanthropist Xander van Meerwijk (64), to the delta of the sacred Ganges River, recently ravaged by cyclone Aila. It was an exhausting journey through all the desperation and extremes that humankind has to offer. This is an account of a socially grounded endeavour, Bengal tigers and Audrey Hepburn’s dress that led to the building of a centre for the mentally handicapped.

By ROB HAMMINK

CALCUTTA, …
Every visit to a clinic or shelter brings showers of fairy-like petals drifting down. Flower wreaths mount up in suffocating numbers around your neck. The music carries you along. Beautiful women in bright scarves laugh, displaying their lovely white teeth. You may be poor, but you dress like a princess while your delicate little feet get all covered in mud. With their friendly nods, the men look as though their heads are mounted on springs. Often limbs are missing, yet people are happy. Their indescribable fate has been changed by help from the outside. Outside has come inside: Dominique Lapierre with his wife (also Dominique) in his wake. Part of this humanitarian trio is successful Dutch businessman Xander van Meerwijk, quietly accompanying them, attentive yet modest about all the projects with which he supports the French couple. “It is madness that it only takes two people to change the bleak future of millions,” says the founder of MVO ([Dutch for:] Socially Responsible Entrepreneurship). “If Dominique takes up the cause for electrification of the slums and the government does not take action, then he threatens them with a hunger strike. It’s amazing how these announcements still have the desired effect.”

While Dada Dominique and Didi Dominique investigate whether funds are properly employed for medical assistance, schooling and badly needed materials, a short distance away in the slums of Calcutta, farmers scrape together an existence having fled the poor rural areas of Bangladesh. Like rats, they sift through the rubbish dumps, through the debris that others have thrown out. Perhaps they’ll earn 0.30 Euro cents that day. They sleep rough, sometimes under plastic sheeting, on streets where chaotic traffic races past their heads.

The gulf between the two faces of Incredible India is growing in these technologic times. The blind and the crippled shuffle past billboards advertising cell phones that they will never own. The 10 rupees per minute savings that these billboards offer would buy a meal for their families. When we meet in New Delhi, the towering Xander van Meerwijk elucidates these two metaphoric faces with painful precision. He’s just come back from Bhopal where he and his good friend Lapierre remembered the gas explosion, a chemical disaster that cost the lives of at least 25,000 Indians 25 years ago (the central government claims it was 3,000, RH) because the American chemical giant Union Carbide ignored safety regulations at their pesticide factory: they were only Indians after all.

“A woman approached us on the street. She was clearly an Untouchable, one of the poorest in a society where caste still decides your happiness or misfortune. Her face was thin and gaunt, her eyes full of panic. To keep body and soul together, she was trying to sell a magazine. Forbes, a top international business magazine. The cover announced a report about the twenty richest people in India. And believe you me: they are filthy rich with all their billions. I was deeply moved. The biggest issue here is that problems, because of the numbers involved, are huge. Development here is going to take at least another fifty years.”

We fly from New Delhi to Calcutta, hell on earth according to Lapierre. To our left, the Himalayan peaks glow in the last light of day. The republic, with its 1.2 billion inhabitants, seems out of reach from this altitude. Here you don’t notice the Maoists in the north, who invade the land, pillaging and murdering as they go, because China views India as one of its biggest rivals. At 30,000 feet you can’t see the 55 million handicapped that literally drag themselves from one day to the next; nor can you see the tuberculosis sufferers, 50% of the world’s total live in India. And what is completely invisible is that killer, AIDS, that according to the latest predictions threatens to become the greatest catastrophe to ever hit the planet. It’s all – so safe – so far away.

Renowned Dominique Lapierre, who was once a journalist for Paris Match, decided at an early age to write books, and not without success. Historically well-grounded bestsellers, such as Is Paris Burning, the story of Hitler’s plan to raze Paris, were often turned into films starring big names, the likes of Jean Paul Belmondo, Alain Delon, Kirk Douglas and Anthony Perkins. In 1975 he wrote his famous book City of Joy, for which he roamed the Calcutta slums of Anand Nagar for two years. This book became a film starring Patrick Swayze in the lead role and telling the story of one Brother Gaston, the unknown equivalent of Mother Teresa. As many as 9 million copies were sold. “The precursor for City of Joy was Freedom at Midnight, my earlier book about India to do with Ghandi’s struggle for independence” he explains. “I wanted to donate some of the royalties to charities in India, and ended up at Mother Teresa’s organisation. She said ‘God sent you’ and sent me on to James Stevens, a Brit who had sold his Jaguar and successful business in Gloucester, and left for good for India where he took up residence in a small house. There he looked after abandoned children suffering from leprosy. His funds had almost run out and he wanted to quit. It seemed I was exactly what he needed.”

That this encounter would lead to the establishment of the Udayan shelter, a life’s work that would cure 15,000 child lepers and that offers these children a roof, an education and a life, was something that Lapierre did not realise at the time. What he was also unaware of was that from that moment forth he would donate more than 50% of all his royalties to the charities that he currently supports.

Before we land, the indefatigable man, continues with a satisfied smile on his face. “The Netherlands has always played a role in my struggle. A dress belonging to your Audrey Hepburn made it possible for me to build a shelter for invalids just outside Calcutta. Hubert de Givenchy designed that dress, Hepburn wore it in the film “Breakfast at Tiffany’s. I was given that piece of black fabric as a gift from De Givenchy. When we auctioned it at Christie’s of London, we thought we might fetch ten thousand dollars. It turned out to be a hundred times that.”

While a million lamps in Calcutta loom closer out of the pitch darkness, he continues his tale about that small country on the shores of the North Sea. “It’s a fascinating country with a lot of history. My latest book, A Rainbow in the Night (Een Regenboog in de Nacht), due to be launched in the Netherlands in May, is about the history of South Africa’s origins. It describes how a handful of Zeeland farmers, true Calvinists who saw themselves as the chosen people, were put on land by the great Van Riebeeck to grow lettuce. Vitamins were needed to combat scurvy among the East Indian company folk on their way to India. Against the wishes of their employers, the settlers turned around at one point and said ‘Gee, that horizon looks inviting’ and went inland. Apartheid was born.” As we land, he says excitedly: “Ah, we’ve arrived in hell. Xander and I can get to work.”

We travel across confusing Calcutta, all eyes on the gigantic delta of the Ganges River, where the poorest of the poor battle for survival on small islands, fighting enemies that are greater than their chances. Apart from the ever-constant risk of flooding, one of the things threatening them is the famous Bengal tiger, the only animal that drinks seawater. According to the stories, this creature’s dubious reputation precedes him: a merciless man-eater, with a penchant for cadavers that float past on the Ganges, only partially burned for the simple reason that people cannot afford to buy enough wood to cremate their dead properly. Salient details: farmers wear masks on the back of their heads because tigers supposedly won’t attack if you’re looking at them. Poor protection when you take into account the annual number of deaths.

Next morning the time has come. In the car, Lapierre tells many a moving story. Once we’re finally alongside a tributary of the Ganges, he says dryly: “The sewers of Calcutta. If you fall in there, you have seven seconds to live. It’s been researched.” Then he discusses his extensive SHIS project that includes both an in vogue micro-credit system and a primary health care system. It serves 3,500 people on a daily basis. “My good friend Xander doesn’t say much, but his financial input is vital to our organisation. The boat, named after his company ‘Merison’, is a floating ambulance with a whole range of equipment on board, such as a lab and an x-ray machine, capable of detecting tuberculosis in its early stages. It brings blind people to our on-shore clinic and helps lepers that have been cast out of their communities. Leprosy is very easy to treat. The Merison is a world first. This year it has saved the lives of thousands.”

After the trip in the car, that’s more like a dangerous dance with death, the end of the majestic Ganges finally looms into sight. The 2,700 kilometre long sacred river flows into an area known as Sundarbans. Of the several hundred islands in the colourless delta, 54 are inhabited by no less than 4.4 million people who rely on fishing to keep their emaciated bodies going. The ambulance boat is their only defence should one of the many diseases visit their mud huts, if the hut is still standing after the devastating and lethal cyclone that hit the area in May. Merison, the company where Van Meerwijk was the CEO, funded the doctors, and the purchasing and maintenance of the boat. Van Meerwijk is also a board member of War Child. The businessman supports several projects in Tibet and Senegal with money from a private fund, the Dito Foundation, where his children are also on the board. “I could be lying next to a swimming pool in Saint Tropez? Yes, that’s true. Why do I do this? We in the west have so much. Much too much. Why in God’s name do you need to have fifty shirts in your wardrobe? I can’t help but give, which is much nicer than receiving by the way. I’m always grateful to the people here because they give me the opportunity to help.”

Van Meerwijk prefers not to talk about ‘I’. He reflects on the good work of others, of the two Dominiques and of Gaston’s. His tone changes when he talks about the way some NGOs operate. They are given to writing off parties as promotion expenses in their books. “I don’t believe in them. They are often creative in their accounting, with expensive overheads and paid ambassadors.” He follows this by blowing the trumpet of financially challenged Marco Borsato. “He is War Child’s unpaid ambassador. He does wonderful work for an organisation that is proud of its low salaries. I get angry when I read in your paper how the director of UNICEF was awarded a €350,000 redundancy package. UNICEF volunteers will have to sell a lot of cards outside the supermarkets to cover that lot. It also makes me angry when I see how distant we are in the Netherlands from the problems in poverty stricken countries. If someone drives into a canal in Amsterdam, it makes the papers. If hundreds of thousands of people here lose their hands and feet, no-one says a thing. And when people do get involved, it often doesn’t last long. Charity work is used for PR stunts. Don’t get me wrong: I think it’s great that Katja Schuurman has taken up the cause for prostitutes in India, but I hope she’s still doing something for them in twenty years time. Stick to your promises.” This likeable captain of industry has a clear vision of socially responsible business. Directors that let their company profits pay for their hobbies disgust him. “Because the top dog, and nobody else, likes sailing, he’ll sponsor a sailing event. But he’ll end up paying the price. You have to stay close to your employees. They should also reflect your choice of charity. Like Merison, if you deal with companies in India, then do something for India. Don’t get me wrong: businesses aren’t philanthropic institutes, but setting aside a portion of your profits for a good cause is a golden opportunity: employees who are proud of their company. That is profit!”

Like the strong current of the Ganges, names and faces pass swiftly by. Colourful annual reports full of business triumphs and figures weigh heavily in my backpack. They tell of Indian children who, two years ago, wrote a 12 kilometre letter about the heroics of Dominique Lapierre. This letter played a part in his receiving the Padma Bhushan, the most highly esteemed Indian award, from the President of India. The children talk of his charity, of his love for his fellows, and of the oft-debated rift in this society that continues to grow. At the end of the journey, we stroll through the City of Joy, the slum we have become familiar with. In this shut off world where westerners seldom tread, people crawl past each other like ants. Blood from the abattoir runs over the streets: our Middle Ages for all to see. But behind thin wooden doors, technological miracles are taking place. Lapierre shares in their pride: “This is where they make enormous and high tech propellers for ships, so gigantic that they have to break down the hut to get them out. They even make medical instruments, sold on through middle-men to western hospitals, because their steel here is better than the stuff they make in Sweden and Germany.” During this trip along the divide between hope and despair, one name keeps cropping up: Brother Gaston, the Swiss who gave all these projects roots. He spent eighteen years in the slums, among the poorest people on the planet. Now he sits like a spider at the centre of his web of charities, a frail man in his wheelchair. He has saved the lives of thousands and no-one knows his name. “I have done nothing. My work is a billiard ball that rolls all by itself,” he says with a gentle smile, in his place of prayer where Hindus, Muslims, Christians and Buddhists congregate. And our journey continues past the micro-credit centres that show that while men hanker after money, women long for education for their children. In the distance, the words of Mother Teresa echo over the Ganges. She said: Saving the life of one child is like saving the planet. In this interplay of forces, two friends work together closely and for always, a French author and a Dutch businessman. They too have gradually saved a constellation because their hearts were bigger than their egos.
for more information: dito@….

Hammink’s way

The world is my playing field and journalism is my game.

Vele jaren, vele reizen en honderdduizenden onherbergzame kilometers liggen achter me. En hoezeer ik de jongensachtige nieuwsgierigheid de laatste 25 jaar als journalist voor De Telegraaf ook voedde met vreemde culturen, in de verre uithoeken van die steeds kleiner wordende wereld, hoe meer ik besefte dat mensen in feite overal hetzelfde zijn.

Mongolië, Noord Korea, Castro’s Cuba, Rusland, Argentinië. Je hebt overal egoïsten, domoren, lieve en behulpzame mensen. Je hebt overal criminelen en directe afstammelingen van de Heiland, als je ze op hun woord mag geloven.

Er is overal eenzaamheid en er zijn overal gevaren. Ook is er overal warmte. Ik zal nooit vergeten hoe ik tijdens een fietstocht over de bevroren Lenarivier werd onthaald door een oude vrouw. Het was -50C. Ze bood haar houten huisje aan als slaapplaats en duwde haar hond naar voren als kruik. Natuurlijk zijn de geuren op straat in Azië anders dan die in het voormalige Oostblok. Sommige landen hebben bijna geen straten, zoals Mauritanië, die eindeloze zandbak waar ik met een motor doorheen ploeterde onderweg naar Lac Ros, het magische meer bij Dakar.

Ze zeggen weleens: reizen maakt de mens. Dat is waar, maar niet helemaal. De mens maakt vooral zichzelf en dat kan ook op een mooie manier als je goed kijkt naar het geboortedorp of de stad waar je naar school ging is. Een ieder gaat anders om met de groei die reizen in potentie biedt.

Mijn 84-jarige grootmoeder reisde via de magazines die ze kreeg van haar dochters. Ze verhaalde met passie over verre oorden die ze nooit echt had gezien. Het zegt veel over haar kleurrijke en vooral dankbare geest. Ik ben gaan twijfelen aan de zin die ik vaak gebruikte: the world is my playingfield and journalism is my game.

De wereld heeft vele gezichten en het leven trekt zijn grimas. Een mooi mens is het mens dat dankbaar is, ondanks en dankzij alles wat er op zijn reis voorbij komt.

Rob Hammink bij het programma Ochtendspits over Alpinist Ronald Naar…

Interview met Rob Hammink, jarenlang bevriend met Bergbeklimmer, Alpinist Avonturier, Schrijver en Wiskundige Ronald Naar. Hij verteld over deze bijzondere man en over de avonturen die hij samen met Ronald Naar beleefde tijdens wonderlijke doch kleine expedities zoals die op de grens van Iraq/Iran waar de reis door een mijnenveld trok of door het tropische regenwoud van Suriname naar de granietberg Duivelsei..

André Kuipers non stop de wereld rond

ANDRÉ KUIPERS EN EEN CAPSULE NON STOP DE WERELD ROND..

In 1995 kwalificeerden André Kuipers en ik ons voor een prachtig avontuur: op 12 kilometer hoogte in een capsule non stop de wereld rond. O ja, hangend aan een zeventig meter hoge ballon. Dat bizarre plan kwam uit de koker van avonturier Henk Brink, die een wedloop was aangegaan met de Amerikaan Steve Fosset.

Zowel Kuipers als ik hadden gereageerd op een landelijke oproep. Brink had in jachtvlieger Wim Hageman al zijn tweede man gevonden, maar zocht nog een derde. Vliegers, militairen en gelukzoekers dromden in duizendtallen samen voor de Rai waar psychologische tests werden afgenomen. Slechts een groepje van twintig mannen kon door naar de Ardennen waar we werden getest op doorzettingsvermogen, claustrofobie en teamgeest.
Zowel Kuipers als ik vielen toen af. Het is minimaal ironisch dat Kuipers vele jaren later de zwaarste keuringen tot astronaut overleefde.


De ballon van Brink is voor deze ruimtereis overigens nooit van de grond gekomen.

Bedwelmend Bariloche

Patagonie

Het Zwitserland van Zuid-Amerika

Foto Het ’mooiste uitzicht ter wereld’ waar ook onze koninklijke familie van kan genieten, vind je in het Argentijnse Bariloche.

BARILOCHE (Argentinië) –
Het was mediagigant Ted Turner, oprichter van CNN, die hier als eerste buitenlandse bon vivant uitpakte in 1996. De Amerikaan kocht een landgoed van een slordige 45.000 hectare (op een hectare meer of minder wordt hier niet gekeken) net buiten Villa La Angostura.

De Amerikaan zag het wel zitten: frisse lucht, een beetje Europese sfeer, skipistes op een steenworp afstand en dikke sappige lappen rundvlees. Daarna was het hek van de dam. De Britse miljonair Joseph Lewis en velen volgden. In 2009 kochten prins Willem-Alexander en zijn Máxima slechts twee hectaren aan een meer in Villa La Angostura. Volgens de laatste lokale berichten volgde koningin Beatrix met een lapje grond. Niet onverstandig. Volgens het toonaangevende tijdschrift National Geographic behoort het uitzicht vanaf deze pistes tot de mooiste ter wereld. In de straten van Villa La Angostura flaneren beroemdheden als Brad Pitt en ander Hollywood-gepeupel.

Het uitzicht behoort tot het mooiste ter wereld.

Arianne Helleman woont er al bijna zeven jaar. De Nederlandse werd 48 jaar geleden geboren in Argentinië, in Buenos Aires om precies te zijn. Nu is ze weer terug bij haar roots en gelukkiger dan ooit, alhoewel ze te midden van alle rijkdom in alle eenvoud leeft met een paar paarden. „Nadat de rijke Argentijnen die hier in de jaren twintig neerstreken en de nazi’s die na de oorlog, met goedkeuring

van president Perón, hier hun heil zochten, is het nu de beurt aan een nieuwe groep rijken.” Ze stelt het op een toon die het midden houdt tussen spijt en blijdschap. „Natuurlijk is het hier hemel op aarde, een soort paradijs, maar de werkelijke reden dat de echt rijke mensen hiernaartoe komen is volgens mij angst.”

Ze spreekt gedreven in het vijfsterrenhotel Llao Llao waar deze krant door Volkswagen was neergezet om de introductie van de nieuwe pickup, de Amarok, bij te wonen. Helleman: „Aan de voet van de berg Cerro Bayo liggen zeven enorme meren. Dat zijn gigantische zoetwaterbekkens.

Nu wereldwijd de angst rondom verdwijnend drinkwater en een stijgende zeespiegel groeit, zie je steeds meer miljonairs hier hun veiligheid kopen voor je weet maar nooit… Hoog, droog en een natuur die genoeg eten en drinken verschaft.”

Duitse studente Isabelle Ommert op de achterbak van de nieuwe VW-pick-up Amarok: „Je kunt hier, in het ’Zwitserland van Zuid-Amerika’ (zie foto links), prima alleen rondreizen.”
Het is een beangstigende theorie die zijn gelijk de komende eeuw moet krijgen. Hoe schitterend dit hotel ook is, Helleman wil naar buiten. Ze wil de natuur in. De route slingert langs de oever van het Nahuel Huapi-meer.

Trouw ronkt de Duitse vierwieler door eindeloze bossen en over uitgestrekte pampa’s waar de wind achter zichzelf aanjaagt. Langs de kant van de weg staat opeens een liftster met buitenproportionele rugzak. Isabelle Ommert (23) is onderweg naar een bruiloft in Chili en bovendien zelf ook onbeschrijfelijk verliefd op een Argentijnse cowboy. De Duitse studente medicijnen ziet het wel zitten: een landleven, verstoken van grote steden en gedoe. De liefde zal haar voeden… „Het is prima om hier alleen rond te reizen”, weet ze. „Hartstikke veilig. Ja het is mooi hier, maar het is nóg mooier aan de andere kant.” Daarmee bedoelt ze een streek net over de grens met Chili, dat hier op een steenworp afstand ligt. „Het is er minder toeristisch en groener.” Helleman geeft toe: „Bariloche is de laatste jaren té toeristisch geworden.” De hoofdstraat van de plaats puilt uit van de hamburgertenten, uithangborden en supermarkten. Hotels, opgetrokken uit massief hout dragen dubieuze namen als Gstaad. Niet verwonderlijk dat deze streek het Zwitserland van Zuid-Amerika wordt genoemd. „Het is hier nu een wintersportplek voor de Argentijnse en Braziliaanse middenklasse geworden. De echt rijken zitten nu vooral in Villa La Angostura dat een uur rijden van hier ligt.” Helleman wijst tot voorbij de horizon. „Maar dat wil je allemaal niet. Je wilt het echte achterland voelen. Geen elektriciteit en een barbecue als kookplaats.”

Nog voordat we ’nee’ kunnen zeggen, heeft ze een korte trip naar de lodge van Alejandro Scandroglio geregeld. Na een halfuur rijden valt het signaal in de mobiele telefoon weg. Bij een snelstromende rivier wacht de gaucho met juiste hoed en juiste shawltje om zijn tengere nek. De proviand en onze bagage wordt naar de overkant gebracht, naar een wereld die er al eeuwen hetzelfde uitziet. Paarden grazen in een eindeloze vlakte.

Witte wolken hangen bewegingloos in een blauwe lucht. Het ruisen van de bladeren overwint alle geluid. Uit een oude schuur worden zadels gehaald. „Ritje voordat we gaan barbecuen?” De grijns van Alejandro spreekt boekdelen. We rijden de heuvels op en de stofwolken lossen op als we het hoogste punt bereiken. Arianne Helleman is stil voor haar doen. Er is inderdaad weinig te melden. Dit eindeloze uitzicht, waarin meren en besneeuwde bergtoppen van de Andes de protagonisten zijn, is niet alleen weggelegd voor de Italiaanse gebroeders Bennetton, die hier 970.000 hectare kochten (een kwart van Nederland). Het is ook niet voor adellijke elite, noch voor filmsterren. Dit paradijs is voor iedereen. Nog wel.

Bent u wel eens in dit gebied geweest en/of wilt u reageren op dit verhaal?

Ga dan naar www.reiskrant.nl/verrereizen

■ Reiswijzer
Direct vliegen vanuit Amsterdam is niet mogelijk, alles gaat via Buenos Aires, dan wel met KLM, of aanbieders als Air France, Alitalia, Lufthansa of Iberia. Het kan nogal in prijs verschillen, dus check het internet op alle aanbieders en aanbiedingen. Zie verder voor meer informatie over land en bestemming ook www.mfa.nl.

www.turismo.gov.ar,

www.visitargentina.eu of

www.welcomeargentina.com/bariloche, www.arianepatagonia.com.ar

Door: Rob Hammink
Bron: Telegraaf

De hoogste skilift, de hoogste koorts

… En heel ver weg…

Levensles voor een stukjesschrijver: HIMALAYA TOPPEN ZIEN EN DAN (bijna) STERVEN

De hoogste skigondel ter wereld. Witte hemel op aarde. Tonnen maagdelijke poedersneeuw in de ijzige koude van de Himalaya. De tergend lange reis naar Kashmir zou de moeite waard zijn. Het liep voor Rob Hammink allemaal een tikkeltje anders. Met de hartelijke dank aan hoogteziekte én een kip tandori van ver boven de houdbaarheidsdatum.

Smoezelige gordijnen met bruine onherleidbare vlekken proberen de brandende zon buiten te houden. De kamer van hotel Hill Top omsluit een schemerige wereld waarin ik noodgedwongen de hoofd- en alle bijrollen speel. Titel van deze dramatische éénakter: ’Het laatste uur’. In de verte hoor ik „Good enjoy sir?” Nog geen vijf minuten geleden viel het loodzware katoenen dekbed me nog aan als een wild bloeddorstig dier. Door mijn oogwimpers zie ik aan het eind van de tunnel het nachtkastje dat meer weg heeft van een medisch altaar waarop zes soorten medicijnen me aanstaren.

Diamox tegen hoogteziekte,Norit tegen de bedorven kip, paracetamol tegen de bonkende hoofd- en gewrichtspijnen, geleende slaappillen, imodium tegen diarree en ORS tegen uitdroging. Wat dit allemaal met skiën heeft te maken? Alles! Tenminste: als je kiest voor de kroon van India.

De ervaring leert inmiddels dat je met alpinist Ronald Naar altijd een beetje moet uitkijken voordat je ja zegt tegen één van zijn wilde plannen. Het is nooit eens: laten we op ski’s Zwitserse schapen gaan tellen en daarna ondeugend een glaasje bier drinken… Met aan fatalisme grenzende avontuurzucht is het de laatste jaren steeds vaker: „Daar heeft een oorlog gewoed, geweldig gebied om eens te bezoeken man. Slalommen langs de landmijnen. Here we come.” Nu is het dus op uitnodiging van het Indiase verkeersbureau Kashmir, het omstreden gebied tussen de atoommachten en aartsrivalen Pakistan en India. Kashmir. Het klinkt als fluweel waar de klassieke taal Sanskriet tot leven kwam en als je het fluistert, staat Kashmir voor zachte, gekeperde geweven stof waar de PC Hooftstraat vol mee hangt. De keiharde historie van het gebied rekent echter af met eenzijdige lieflijkheid. Kashmir viel na het vertrek van de koloniale Brit, die het vooral als koele zomerplaats gebruikte, in 1947 ten grabbel van islamitisch Pakistan en hindoeïstisch India. Je hebt nu dus twee Kashmirs: Azas Kasjmir, Gilgitin en Skardu aan de Pakistaanse kant en de Srinigar-vallei en Ladakh aan de Indiase kant.

Buitengewoon positief: het vredesteken maken in een gebied dat zwanger is van een bloederig oorlogsverleden.

Met Ronald Naar moet je uitkijken voordat je ja zegt tegen één van zijn wilde plannen. Het is nooit eens: laten we op ski’s Zwitserse schapen gaan tellen en daarna ondeugend een glaasje bier drinken…

In Srinigar, de hoofdstadvan Kashmir, waar 250.000 militairen alle hoeken en gaten vullen, uit angst dat de moslimguerrilla’s toeslaan, laat de 52-jarige Sikander Malik bij onze aankomst zijn kapot geschoten onderbeen zien. „In 1994 gebeurd. De Indiase overheid zag velen van ons aan als militanten. Gelukkig is het momenteel rustig en zijn de gevechten alleen nog in de bergen. U zult geen last hebben tijdens het skiën”, belooft de man.

Vliegend van Amsterdam naar Milaan, door naar New Delhi en dan aansluitend naar het witte Srinigar, tenminste: dat was de bedoeling. Na ruim een uur zijn we boven de plaats van bestemming, maar we worden in de wacht gezet en cirkelen zo bijna een uur boven onze bestemming. Twee uur later zitten we weer in Delhi. Morgen nieuwe kansen. „Kashmir is afgesloten van de wereld”, meldt het CNN-geweten.

Woonbootjes als skihotels aan de voet van de witte bergen.

De volgende dag sleep ik mijn gehuurde skiset weer naar het vliegveld. De brandnieuwe ski’s en superstijve schoenen, die met veel aandacht zijn uitgezocht bij het Amersfoortse Wim Jaquet All Sports, zijn in Amsterdam achtergebleven nadat Naar ze had afgekeurd. „Prima spul, maar je hebt comfortabele schoenen met loopreliëf nodig en loopbindingen. Als je niet tot je ballen in de sneeuw wilt wegzakken, zijn iets bredere ski’s nodig. In India zijn geen skipistes zoals in de Alpen, elke meter ski je off piste.”

Alsof je in Venetië bent. Gondels voor je skihotelletje.

Srinigar airport is open! Het weer is schitterend als we onderdak zoeken in een exemplarische woonboot, die hier in Lake Dal rij aan rij liggen en de meest meeslepende namen als Hollywood, Little Hollywood en Broadway dragen. Langzaam dienen de eerste hoofdpijn en gewrichtspijnen zich aan. De verhalen van drie Ieren, die ook een plek hebben veroverd in ons drijvende handgemaakte hotel, voorspellen veel goeds. Bij de houtkachel zegt Niall Oliver: „De sneeuw is geweldig. Tot aan je middel komt het”, om daar met Iers

gevoel voor drama aan toe te voegen: „Daarboven heerst de ultieme vrijheid. We hebben nog nooit zo lekker geskied.” Ondertussen heerst vooral de ultieme lichamelijke ellende, omdat we geen moment voor de broodnodige acclimatisatie hebben ingebouwd. Mijn bloed lijkt zich als stroop door de aderen  heen te pompen, maar ik ben niet de enige die lijdt. „Het is alsof een olifant op mijn hoofd heeft gescheten”, aldus Naar de volgende ochtend.

De weg naar boven, naar Gulmarg, het wintersportplaatsje dat op 2900 meter hoogte ligt, lijkt onveranderd ver weg. Karren met een paard ervoor, mannen in grauwe poncho’s, maar met een lichtgevende lach. Weinig vrouwen. Het leven is hard hier in de bergen. Veel drinken, doceert Naar. „Dat helpt op hoogte. Iedere duizend meter een liter extra.”

We hebben geluk. Vandaag is voor het eerst sinds weken de tweede lift naar de top ook open. Voor de goede orde: India en zijn skiverleden gaan terug naar 1902 toen de eerste skiclub werd opgericht. Pas in 1975 werd de eerste sleeplift aangelegd. Om internationaal toerisme aan te trekken begonnen de Indiërs in 1986 aan een nieuwe variant om die in 1989 uit te breiden met een heuse Poma-gondellift van Franse makelij. De bouw werd in 1990 gestaakt wegens grote onlusten in de grillige grensstreek. De bergen werden broeinesten van verzet en strijd. Pas in 1998 werd de lift afgebouwd en in 2004 bereikte de tweede etappe naar 4000 meter zijn eindpunt, het hoogste punt ter wereld, zo melden de borden hier trots.

Het restaurant komt nog niet echt in aanmerking voor een Michelin-ster.

In hotel Hill Top kleden we ons om en gaan snel wat eten. De vloer van de ruimte die als restaurant doorgaat, is bezaaid met verdroogde rijstkorrels en vettige vegen. Nog even doorzetten. Straks, daar boven op de berg, zal alles beter worden. Aangekomen bij de skilift proberen we bij een gat in het gordijn tickets te kopen voor twee euro per rit naar boven. „Ja u kunt ook met een creditcard betalen”, zegt een onzichtbare man. „Maar de machine doet het vandaag niet. En gisteren ook niet.” In moordend traag tempo schokt de gondel naar boven. De deur staat open omdat de snowboards van onze Duitse cabinegenoten volledige sluiting onmogelijk maken. Gevolg: een ijzige wind draait als een cycloop rond in de gondel wat de feestvreugde alleen maar verder neerslaat. Het blijkt de moeite waard. Bij het topstation ligt een witte maagdelijke wereld aan onze ski’s. Ik glijd mijn eerste meters en voel hoe de ski’s nerveus hun weg zoeken onder de sneeuw. Mocht er nog sprake zijn van enig zelfvertrouwen op de lange latten, de restanten zijn gisteren ergens op een woonboot achtergebleven. Ik voel me een broze, verdroogde tak die ieder moment kan breken en ga natuurlijk ongenadig onderuit. De sneeuw bijt zich als een roofdier vast in mijn nek. Ronald Naar wacht en komt tot de conclusie dat ik lijd aan hoogteziekte. „Je gezicht is ook wat boller”, zegt de berggoeroe. „Heb je verdomme wel genoeg gedronken?”

Ik voel me een broze verdroogde tak die ieder moment kan breken en ga natuurlijk ongenadig onderuit. De sneeuw bijt zich als een roofdier in mijn nek

Ook de marktkoopman blijft het ondanks de bijtende kou vrolijk inzien.

Om van het gezeik af te zijn, knik ik en klauter overeind om honderd meter dieper weer op mijn plaat te gaan. Eén ski schiet uit. Reis je vier dagen om in deze ellende terecht te komen. Het is ondertussen mistig geworden als ik de verloren ski probeer terug te vinden. Mijn hart bonkt met 170 slagen per minuut in m’n lijf. Het zal mijn eerste en laatste afdaling deze reis worden. „Good enjoy”, vraagt een vriendelijke Kashmiri als ik eenmaal door het dorp sjok. Wat zijn deze mensen lief! Wat zijn ze meelevend! En wat voel ik me ziek. Shakeel Ahmad legt een hand op mijn schouder en vraagt of ik thee wil. Ik zeg dat ik dood wil. Hij lacht en loopt mee naar het hotel waar ik onder een lekkend plafond twee dagen voor pampus zal liggen. Als hij de deur achter zich sluit, gooit hij met een typische Indiase hoofdbeweging, die het midden houdt tussen ja en nee, een wijsheid de kamer binnen. „Sir, het is niet het doel waar het om gaat, het gaat om de reis er naartoe.”

Met dank aan: Wim Jaquet Sports, Lange straat 111-115, Amersfoort.

Website: www.wimjaquetsports.nl

Door: Rob Hammink
Foto’s: Rob Hammink
Bron: Telegraaf

 ]]