Milaan 1995

Uit een donkere hoek van de dom kwam hij geschoven,
een vermoeid lijf gesteund door twee krakende krukken.
Zijn gehele leven was in Gotiek gevangen.
Langzaam kwam oude wijsheid voorbij.
Aan de gekromde neus hing een gewijde druppel.
Voordat hij Christus groette, keek hij mij aan,
lijnen van het grote gelijk kruisen zijn gelaat.
Zijn ogen brandden in mijn ziel, hij zag alle leugens;
en toen hij verder schoof, voet voor voet
nam hij peinzend een moment in acht.
Door de druppel heen zag ik Jezus, zijn Heer,
vervaagd, maar stralend in vloeiende inspanning.
Zo schitterend boven het altaar, goddelijk verlangen.
Don Giovanni Lattuada was op weg naar zijn biechtstoel,
zoals iedere dag overspoeld met de wereld van daarbuiten.
Het rode lichtje in de kantelen van zijn kleine houten hut
liet weten dat de Don zich boog over zonden der mensheid:
van 3 tot 5.
Daarna schuifelde hij terug de duisternis in,
maar niet zonder de Heer te danken
voor de dag die hij verkreeg.

Als droesem knaagt aan de hersenkwab

l’ Homme contrôlée, Pineut Pinot
Als tegenstellingen overeenkomstig zijn.
Niets de bekende plaats meer heeft.
Als Gaia is bezwangerd door boer Piet.
Het zijn spinsels zonder kop en staart
met een wir war aan vinnen,
in elk een glas Poseidon’s bier
waarop zogend schuim gelijk de branding;
ons ecologisch keerpunt.
Een dolende moederkoek als worstjes
opgedeeld naast blokken kaas en bitterbal.
Het is niet de wereld van mannen met kalende kruin,
die biljarten met hun knar als keu,
bal tegen bal, beveiligd door biefstuklachende vrinden.
“Hear hear zo gaat goed ie goed amice.”

Ooit een vis, altijd een vis…

Blauw krijt op hun krijtpakken met revers als vleugels
waarmee niet op te stijgen valt.
Minzame mannen met mini-brein.
Gevangen binnen grijze kaders,
verdikt door pretenties van 33 kilojoule per aandeel.
Op hun nekken de Ibiza-koppen en ze weten niet:
het melanome bruin is zonnestront,
uitgescheten walnoten.
Nooit zien zij de groene invalide koeien,
strompelend door de Kalverstraat
met rode regenpakbroeken, likkend aan hun ijsjes.
Er is geen oog voor verdwazing, noch verbazing,
alleen oog voor de heilige drie-eenheid van nu
waarin ritmisch te rijden valt: vrouw, vriendin en auto,
als twee- en vierkleppers van de hedendaagse mannensoort.