Sexisme

Een penis op een bankje,

een vagina met een drankje,

een tepel in het net,

een zaadbal op een autoped,

een clitoris met een toefje room,

ach, wat zijn mijn dromen vroom.

Verlangen

Tranen lopen over het glas.

De natuur is weemoedig.

Ik wilde dat ik het was,

die huilen kon.

De laatste

Ik betover jou met rozen,

spinne-ogen in hoededozen,

een gefrituurde Wielewaal,

een verliefde Nachtegaal,

een pan vol met drab,

roof, steel en gap,

een bloedige koek gebakken,

versierd met wilgetakken.

Ik spreek raadsels en toverwoorden,

leef in klamme oorden.

Verdreven door computer en tosti-ijzers.

Mijn tijd loopt in tegen wijzers.

Ik ben een oude tovenaar,

een cultureel gevaar.

Ik ben nog de enige van mijn soort,

de anderen zijn door Ratio vermoord.

Dichten

Dichten is geconcentreerd schrijven.

Het verleden dampt in tot stroop.

Door de beek, waarin mijn jeugd weerspiegelt,

stroomde een woordenbrij,

verkleefd met modder en kikkerdril.

Gehurkt zag ik zwarte stipjes leven,

terwijl de waterkant aan mijn dure Bally’s zoog.

Verlaten in de bosrand waar ooit mijn vriendjes speelden.

Daar ontmaagden wij Annelien de Boer met een lindetak,

samen met Gijs, die wist hoe het moest,

zijn vader was dorpsdokter.

Dichten doe je alleen, terwijl een parade ideeën voorbijtrekt.

Een mythische wereld komt tot leven,

de eerste ejaculatie spuwde kikkerdril en viel dood in de modder.

Was het Hades die zoog aan mijn ballies daar onder de waterkant?

Het beest in mij is toekomst

De haren in mijn neus zijn lianen,

waarin oerwoud gespuis dartel speelt.

Onder mijn nagels zit een zandbak,

schelpjes snijden in tere kindervoeten.

Ik ben een wereld op en in zichzelf.

In mijn oksels woont duister volk

met verminkte gezichten, bang voor de dageraad.

Oppervlakkig zijn zij, die leven in mijn nek.

Witte trollen bonken onder de voorhuid van het lid.

Ze vluchten in oorzwammen en krekelduft.

Onooglijke wezens doorklieven het lichaam

als op een kruistocht naar zwetend verschiet.

En als het scrotum Quasimodo wekt, de nieuw geborene

nemen zaadlichamen stelling,

waardoor alles in herhaling van zichzelf voortgaat.

Cyclisch

Zacht zijn de golven van jouw haar.

Aai, aai, mijn meisje klein.

Je oortjes zonder lelletjes.

Nat zijn je wangen van de woorden,

die je nog onschuldig lispelt.

De tafelrand geeft steun als enig houvast.

Als je valt, stuiter je op een buffer van poep.

Bollend draag je de keutels met je mee.

Wat zul je over tachtig jaar gelijk zijn aan nu.

En zo evolueren wij voort,

cyclisch dansend met de dood.

Eeuwige jachtvelden onder mijn kussen

Nacht na nacht schiet ik leven weg,

kostbaar kruid der mensheid.

Druk opgevoerd door atmosferische erotiek.

Sierlijke bogen waarin ongeboren kinderen balanceren,

miljoenen mensjes hand in hand.

Evenbeelden slaan te pletter op mijn buik,

verworden tot dampende vlokken,

die als korzelig stuifmeel verkleven.

Weggeveegd door T-shirt of harde zakdoek,

die als kerkhof van het miljoenen zaad verstijven.

Prinsje

Ik ben een prinsje van een sprookjesrijk.

Mijn denken kent geen grenzen.

Zij die niet goed kijken en luisteren

begrijpen mijn gedachten niet, noch de woorden

of de volgorde daarvan.

Ze zoeken gelijk door afkeuring.

Hun houvast is de uitwisselbare soortgenoot,

het mensdeel dat in een ieder zit.

Hun kleuren passen in de doos van Caran d’ache.

De auto gaat om de 10.000 kilometer naar de garage.

Stiekem ligt de dildo in het nachtkastje, want:

“Ook mijn vrouw krijgt zo nu en dan een beurt.”

“Neem nog een biertje Karel.”

In mijn rijk wordt niet gebarbecued.

Bij mij mag een ieder eenzaam zijn,

daarin vormen wij een volk van mijn rijk.

Soms liggen wij te mijmeren op een groene weide,

de één drijft weg in het zwart, de ander in het rood.

Heksen op wortels doorkruisen gedachtenspinsels.

Een haas vangt een koe met uiers vol champagne,

-het beest wordt gesponsord door Moët et Chandon-

en wij allen drinken chocolademelk zonder jaargetij.

Hoge hoeden versierd met lage noren, het is lente.

Uit de buik van een zwangere vrouw klinkt ons volkslied

en zo drijven wij allen af, zwoel en vol romantiek.

Ik ben een prinsje van een volk dat nooit geboren werd.

Dood afgekocht

Duizenden gedachten op een verlaat uur.

Wat zou er gebeuren als mijn werkkamer

eeuw na eeuw leeg zou staan?

Niets aangeraakt zou worden, alleen de telefoon eens per week,

door een geest.

Niet om te bellen,

maar om zo de hoorn niet vast te laten koeken door de tijd,

de eeuwen stof, de spinnewebben als visnetten.

En hoe zou de inflatie zich ontwikkelen?

Als ik nu een miljoen gulden bij de PTT stort,

zal dan voor de rest der eeuwen mijn rekening betaald blijven?

Zou je zo door middel van abonnementsgeld door kunnen leven?

Investeren in de toekomst?

Een voorsprong nemen op je eigen sterfelijkheid?

Organische rijkdom

Uitdrukwekkend

verliet een warme wind mijn warme lijf

waar warme dekens warme herinneringen warm hielden.

Zo de koude koude buiten sloot.

Buiten, in een wereld waar goud niet gauw verzilverd werd

en zo de financiële successen vervlogen

met een lauw gestemde bries,

niet eens een warme wind.