Prinsje

Ik ben een prinsje van een sprookjesrijk.

Mijn denken kent geen grenzen.

Zij die niet goed kijken en luisteren

begrijpen mijn gedachten niet, noch de woorden

of de volgorde daarvan.

Ze zoeken gelijk door afkeuring.

Hun houvast is de uitwisselbare soortgenoot,

het mensdeel dat in een ieder zit.

Hun kleuren passen in de doos van Caran d’ache.

De auto gaat om de 10.000 kilometer naar de garage.

Stiekem ligt de dildo in het nachtkastje, want:

“Ook mijn vrouw krijgt zo nu en dan een beurt.”

“Neem nog een biertje Karel.”

In mijn rijk wordt niet gebarbecued.

Bij mij mag een ieder eenzaam zijn,

daarin vormen wij een volk van mijn rijk.

Soms liggen wij te mijmeren op een groene weide,

de één drijft weg in het zwart, de ander in het rood.

Heksen op wortels doorkruisen gedachtenspinsels.

Een haas vangt een koe met uiers vol champagne,

-het beest wordt gesponsord door Moët et Chandon-

en wij allen drinken chocolademelk zonder jaargetij.

Hoge hoeden versierd met lage noren, het is lente.

Uit de buik van een zwangere vrouw klinkt ons volkslied

en zo drijven wij allen af, zwoel en vol romantiek.

Ik ben een prinsje van een volk dat nooit geboren werd.