Onweg

Jij volgt de lijn der rechte lijnen.

Gemangeld werd je door mijn grenzeloosheid,

die in essentie niet echt bestaat.

Alles is eindig; geboorte en horizon.

Maar hoe ver gaat je oog?

Hoe hoog mag de waarheid zijn en hoe diep de twijfel?

In drassige spelonken van mijn hoofd

knabbelt golfslag aan haarspeldbochten.

Ruik je de schroeilucht, gloeiend is mijn arm,

als ik je omhels?

Op jouw grenzen staan douanemannetjes,

die al speelden met je jeugd.

In hun mond een fluit met kompasje, nimmer dwalen.

In hun hand een spiegelei, om tijd te stoppen.

Trouwe wachters zorgen voor de lijn der rechte lijnen.

Nuchterlingen, die de chaos, de alles verzengende gekte buiten houden.

Veilig is het in je huis met zekerheden, met sloten op de juiste plaats.

Buiten draait onze toekomst als een wervelstorm.

Buiten waar leven sterft, het zonnig is,

de aarde niest, donkere wolken overtrekken.

Waar alles is als een doolhof

omdat de echte natuur geen rechte lijnen kent.