Het beest in mij is toekomst

De haren in mijn neus zijn lianen,

waarin oerwoud gespuis dartel speelt.

Onder mijn nagels zit een zandbak,

schelpjes snijden in tere kindervoeten.

Ik ben een wereld op en in zichzelf.

In mijn oksels woont duister volk

met verminkte gezichten, bang voor de dageraad.

Oppervlakkig zijn zij, die leven in mijn nek.

Witte trollen bonken onder de voorhuid van het lid.

Ze vluchten in oorzwammen en krekelduft.

Onooglijke wezens doorklieven het lichaam

als op een kruistocht naar zwetend verschiet.

En als het scrotum Quasimodo wekt, de nieuw geborene

nemen zaadlichamen stelling,

waardoor alles in herhaling van zichzelf voortgaat.