Cyclisch

Zacht zijn de golven van jouw haar.

Aai, aai, mijn meisje klein.

Je oortjes zonder lelletjes.

Nat zijn je wangen van de woorden,

die je nog onschuldig lispelt.

De tafelrand geeft steun als enig houvast.

Als je valt, stuiter je op een buffer van poep.

Bollend draag je de keutels met je mee.

Wat zul je over tachtig jaar gelijk zijn aan nu.

En zo evolueren wij voort,

cyclisch dansend met de dood.