Oorlogsvlieger Jan Linzel (96) haalt in Ierland meidagen 1940 terug

’Ik ben een geluksvogel’

Het enige dat ik nog heb zijn mijn herinneringen en deze sokken.’ Dan trekt de oud-jachtvlieger zijn broekspijp omhoog. „The Royal Airforce had goed spul. Daar klopte wel alles. Die sokken zijn bijna zeventig jaar oud en nog nooit gestopt.” Vanuit de keuken klinkt het: „Lieverd. Dat komt omdat ik ze met de hand was.”

Jan Linzel

Nederlandse jachtvlieger Jan Linzel | Foto: Telegraaf – Rene Oudshoorn

Jan (96) en Marianne (78) Linzel. Het is een goed geoliede twee-eenheid. Nu. Tegen het einde van de Tweede Wereldoorlog zat hij echter in zijn Spitfire en zij met grote regelmaat in een bunker, ergens in Essen. „Nee ik heb er nooit bij stilgestaan dat Jan zijn mitrailleurs op mijn land leegschoot. Maar Hitler had zijn land ingepikt. Jan had dus alle recht.” Ze kijkt hem, nog steeds, met een verliefde blik aan. „Hij is zo charmant, een echte heer.”
Alles is in dit deel van Ierland lieflijk. De wegen kronkelen speels door het feeërieke landschap. Bootjes deinen op het water van Bay Bantry. Mensen zijn domweg vriendelijk. Eigenlijk zijn we terechtgekomen in een sprookjesparadijs en de enige nog in leven zijnde Nederlandse gevechtsvlieger, die zowel in 1940, ’44 en ’45 vocht tegen de Duitse bezetter, geniet van zijn dagen. Hier rusten de frustraties en het kapotgeschoten been waarin nog steeds scherven zitten. Hier worden de anekdotes gekoesterd.

Flarden
Als hij naar buiten staart, denkt hij aan zijn maatje sergeant Peters, die naast hem vloog en in het niets verdween. Tot op de dag van vandaag. Flarden van toen komen terug. Hoe door de cockpit een fluit van een locomotief vloog nadat deze aan flarden was geschoten. Het is allemaal zo vreselijk lang geleden.

Hij vliegt al decennia niet meer, maar het vliegvuur in Jan Linzel is nooit gedoofd. Niet dat hij bezig is met de honderdjarige viering van de Nederlandse militaire luchtvaart, die teruggaat naar de oprichting van de Luchtvaartafdeling te Soesterberg op 1 juli 1913. Dat boeit hem niet zo. Hij heeft niets met feestjes en hotemetoten. Liever tuurt hij iedere ochtend met bruine ogen de lucht af. Daarna gaat de éminence grise naar zijn studeerkamer en noteert alle meteorologische gegevens die nodig zijn voor een veilige vlucht.

Hij zit al te wachten in de serre. Kleine man, keurig, door Marianne getrimd, grijs snorretje. De ’meivlieger’ heeft last van die ’verdomde’ knie, na een val eerder deze maand. „Nee, het been dat in 1940 tijdens een luchtgevecht werd doorboord, is m’n andere.”

„Hoe het gaat? Kan minder”, hij lacht. „Dat zeiden rijke Groningse boeren als ze elkaar ontmoetten.” Deze dagen op de rand van Glengariff raken twee extremen van het leven elkaar. De benijdenswaardige mildheid en uiterste boosheid.

„Ook toen ik als flying officer voor de RAF zigzaggend tussen het vuur van de Flak’s doorvloog was ik niet bang. Ik was wel heel erg boos. Boos op die NSB’ers en de eenvoud waarmee Nederland zich had overgegeven. En echt blij met de zuinigheid van die socialisten was ik ook niet. ’Geen cent, geen man’ hadden ze over voor het leger. Dat hield dus in dat we tijdens het uitbreken van de oorlog met onze rammelbakken, zonder intrekbaar landingsgestel en zonder radioapparatuur geen enkele weerstand konden bieden tegen die hoogwaardige Duitse machines.”

Jantje Linzel uit Stadskanaal was meer sportief dan leergierig. Hij fietste harder dan hij leerde. De magische liefde voor de vliegerij gaat terug naar augustus 1919, toen hij aan de hand van zijn vader werd meegenomen naar de Eerste Luchtvaart Tentoonstelling in Amsterdam. Daar stonden indrukwekkende dubbeldekkers. „Vader wees een kleine jager aan en zei: ’Dat is nu echt een toestelletje voor jou’. Tja en toen we vanuit Stadskanaal naar Soest verhuisden, stond ik altijd langs ’het lijntje’ op het militaire veld Soesterberg.”

Soms vertelt hij een verhaal twee keer en soms lijkt het recente verleden ver weg. Maar als het over de oorlog gaat, is zijn geheugen messcherp. De types waarop hij vloog, komen tot in detail voorbij, compleet met motortypes en wapentuig. Ook zal hij nooit vergeten hoe hij op 25 mei 1938 zijn eerste vlucht maakte in een Fokker S-IV nr. 108, met een vijfcilinder Mongoose stermotor, die met een slinger gestart werd. Met vallen, opstaan en tegen de voorspelling van zijn instructeur sergeant-majoor Lambermont in, die koekenbakker een beter beroep voor Linzel vond, schopte hij het tot zijn gekoesterde werkterrein: Soesterberg. Daar kwam Linzel terecht bij een van de JaVa’s (jachtvliegtuigafdeling).

De oorlogsdreiging nam toe. Op 9 april 1940 werd Linzel geconsigneerd. De Afdeling Jachtvliegtuigen verhuisde met drie secties van drie naar Ypenburg. Die dag vielen de Duitsers Denemarken en Noorwegen binnen. De frustraties onder piloten over wapens en vliegtuigen waren groot. Zo vroren mitrailleurs op grote hoogte vast omdat er verkeerd vet werd gebruikt, hadden de Fokkers geen kunstmatige horizon en was er een tekort aan bougies. „Het was om uit je vel te springen. We waren een volk van rommelaars en handelaren.”

Ondertussen is Marianne het terras opgekomen met de lokaal gevangen zalm. Én foto’s van hun enige kind Otto. „Voor hem zijn we hiernaartoe verhuisd, omdat er op Nederlandse universiteiten wachtlijsten waren. Otto is nu kapitein van dit schip.” De foto toont een affreus groot drijvend geval, zo groot als de boortoren en eigendom van een Russische oligarch.

Korzelig
In de sfeer van familietrots haalt ze ook even een plaquette aan elkaar geregen medailles op, goed voor zo’n twintig centimeter borstversiering. Omdat haar Jan wordt aangezet tot uitleg, somt hij ze gedwee op. Kruis van verdienste, Het Vliegerskruis, Oorlogsherinneringskruis met twee gespen t.w. 1 mei 1940 en oorlogsvluchten 1940-1945, France-Germany Star, England en zo gaat het nog even door. „Welke weet ik niet meer, maar eentje heb ik van Wilhelmientje gekregen.”

 

Jan-Linzel-Prins-Bernhard

Jan Linzel in gesprek met Prins Bernhard op de toren op de Vliehors
Foto’s: Jan Linzel

 

De oogjes beginnen weer te stralen. „Ze had ’t niet zo op me. Dat gedonder begon al tijdens een van onze eerste ontmoetingen. Ik stond in vol ornaat en ze zei: ’Nu zie ik u ook eens in uniform.’ Ik zei: ’Maar majesteit, de vorige keer was ik ook in uniform’. Nou het vuur kwam uit haar oren. De koningin dien je namelijk niet tegen te spreken. Later dacht ik: ’Maar die ouwe heeft gelijk’ en toen ze weer langskwam liet ik weten: ’Majesteit, u had toch gelijk. De vorige keer was ik in burger.’ Ik heb zelden iemand zich zo korzelig zien omdraaien. Bernhard stond erbij en lachte zich dood. Goede vent was dat.”

’Meivlieger’ was hij met veel wil en weinig dank. Steunend op zijn stok vertelt hij met precisie over die vroege ochtend op 10 mei 1940, het grote keer- punt in de geschiedenis en in zijn leven. „We zaten op Ypenburg in onze kisten te wachten. Grote formaties Duitse toestellen vlogen van oost naar west. Waarnemers dachten eerst dat ze naar Engeland gingen, maar ze draaiden boven de Noordzee. We hadden geen verlichting in onze Fokkers D-XXI en de fluorescerende instrumenten waren niet bijster duidelijk. Om 03.55 uur Amsterdamse tijd begon de sirene te huilen. We startten in drie secties.”

’En daar hing ik, bewusteloos aan een parachute’
„Toen ik daar zo boven hing, zag ik allemaal Heinkel bommenwerpers in ons luchtruim, koersje noordoost. Ik dacht nog: ’Dat zijn er verdorie veel.’ Ze hadden blijkbaar Ypenburg in de schemering gemist. Tot mijn verbazing valt mijn commandant niet aan en keert terug naar het veld. Ik moest volgen. Eenmaal geland vroeg hij: doen jouw mitrailleurs het? Die bleken het te doen en de zijne niet. Hij wilde mijn kist. Het probleem was: de luchtflessen van hem stonden niet open (mitrailleurs werken op luchtdruk, red). Net toen ik wilde opstijgen, naderde vanuit het zuidwesten weer een formatie Heinkels. Ik meen 36 stuks. Het begon bommen te regenen. In die chaos heb ik in de richting van Delft een schadevrije strook zonder kraters gevonden om op te stijgen. Achter me hoorde ik zware ontploffingen.”

In alle eenzaamheid klimt de jonge Linzel door tot 3000 meter en krijgt een Messerschmitt Bf 110 in het vizier. Hij haalt de tweemotorige kist neer met een vuurstoot. Daarna ziet hij boven het Westland een formatie Heinkels. Hij valt het vliegtuig rechtsachter aan en ziet hem uit de koers raken. Jan Linzel heeft tijdens het verhaal zijn wandelstok losgelaten om met zijn handen de aanvallen na te bootsen. „Daarna kreeg ik een enorme klap in mijn linker dijbeen. Ik was geraakt. Dat was niet zo best. Direct heb ik de kist verlaten. Ik voel nog hoe mijn voeten over de horizontale stabilo strijken. En daar hing ik, bewusteloos aan een parachute.

Even later werd ik weer wakker en zag hoe Ypenburg in brand stond.”

Jan-Linzel-Frankrijk

Jan Linzel en zijn Spitfire op vliegbasis Merville in Frankrijk, 1944
Foto’s: Jan Linzel

Amper zijn vliegbrevet en nu al de oorlog uitgeschoten. Maar Linzel gaf niet op. Hij moest en zou naar Engeland om bij de RAF te vliegen, liefst in een Spitfire. Toen hij weer kon lopen, meldde hij zich bij het Nederlandse verzet, distribueerde met gevaar voor eigen leven illegale krantjes en probeerde in 1943 naar Engeland te komen. De eerste poging strandde aan de voet van de Franse Pyreneeën. Hij vertrouwde de situatie in het Spanje van Franco niet en keerde zonder hulp van tussenpersonen terug naar Nederland. Niet veel later weer een poging. Die lukte wel, als je de paar gevangenismomenten vergeet.

Jan-Linzel-rechts

Oorlogsvlieger Jan Linzel (rechts) in Engeland
Foto’s: Jan Linzel

Meer dan 150 keer ging hij de lucht in om de Duitsers te bestrijden. Zijn logboeken liggen er nu beduimeld bij. „Tja, al die missies. Je verloor vele maten.” Na de oorlog, op 26 juni, werd hij tot zijn ongenoegen ingedeeld bij het Nederlandse 322-squadron. „Mannetjes die pas na de oorlog aankwamen en ons de les gingen lezen. De sfeer was bij de Britten veel beter, daar heerste kameraadschap.” Het is de eerste en laatste keer deze twee dagen dat Linzel iets verbetens heeft.
De wereld draaide door en Linzel draaide mee. Na de oorlog werd hij Flight Commander van het 323 Squadron in Leeuwarden dat met de eerste straalvliegtuigen, de Gloster Meteor, vloog. Daarover zegt hij nu, refererend aan het aantal crashes van die dingen: „Ik heb ze overleefd…”

Vrijheid
De luchtmachtambtenaren vonden dat het tijd was voor een mooie carrière en raadden Linzel aan naar Amerika te gaan voor scholing. Het jettijdperk was onomkeerbaar ingetreden. Zover kwam het niet. Op zijn geliefde Vlieland hadden ze in die periode ook een vuurgeleider nodig. „Dat leek me veel leuker. Bovendien leerde ik daar Marianne kennen, die daar met vakantie was. We besloten samen dat een carrière bij de luchtmacht een hoge prijs van recepties en verlies van vrijheid betekende. Daarvoor heb ik bedankt. Ik was majoor. Mooi genoeg.”

Bij het afscheid toch een zorgelijk moment. „Ze hebben mijn rijbewijs vorige maand afgenomen, omdat m’n ogen niet goed zouden zijn. Onzin natuurlijk.” Hij knikt richting Marianne. „Ik ben altijd mobiel geweest, maar hoe moet dat nu als zij er straks niet meer is? Dan zit ik opgesloten.” Marianne zegt dat ze nog jaren zal leven. Met die meeslepende lach reageert Linzel: „Nou dat is dan beloofd. Er waren eens twee Groningse boeren… Het kan allemaal minder in dit leven. Wat ben ik toch een geluksvogel.”

VIDEOREPORTAGE Telegraaf

Bron: Telegraaf 29 september 2012
door ROB HAMMINK
Rob ging op bezoek bij Jan Linzel in Ierland en maakte voor de Telegraaf een exclusieve reportage.