Het einde van een vleestomaat

Oud mens.
Het leven is wat je hebt en weldra zult verliezen.
Je bent er één in een lange rij, al 80 jaren.
Je loopt in het kielzog van de dood,
zuigende sterfte in ‘t verschiet.
Uit een oneindigheid komt de wind
en speelt tergend met je grijze lokken;
hoe frivool voor deze tijd van je leven.
Als een lentelam word je geofferd.
De voorstelling is voorbij.
Eenzaam zul je opgaan achter de coulissen,
daar waar geen kleuren zijn, noch geluid
zweven zul je zonder doel.
Op je rug, je buik, ondersteboven,
totdat je hoofd opzwelt en aders achter je ogen springen.
Langzaam zal je schedel vollopen met bloed,
een rode ballon waarin duizenden gedachten drijven.
Langzaam, heel langzaam, vallen je voeten naar benee,
je benen knappen af als dorre stokjes.
Je uitgedijde lijf verschrompelt tot een kruimel zwart.
Al dat vet en de wratten op je rug, dansen nu op de wind
als een verbrande krant, die opstijgt uit een vreugdevuur.
Je armen zijn takken zonder bloesem.
Ook je handen zijn niets, niet eens als zeem te gebruiken.
Daarmee streelde je haar haar.
Je vinger rustte liefdevol op haar lippen,
zij likte en zoog speels als een perverse baby.
Na een korte eeuwigheid bestaat alleen nog je hoofd.
Die opgezwollen vleestomaat uit het Westland.
Op een dag ben je onderdeel van een groentensalade.
Je gaat op met oregano, onder je sist gesmolten kaas.
Je kunt niet schreeuwen, angst is in vet gesmoord.
Niemand die luistert, helemaal alleen op weg
naar een donker gat, naar een langzame vertering.