Ethiopië: Er springt een man voor m’n motor Nov18

Tags

Related Posts

Share This

Ethiopië: Er springt een man voor m’n motor

Zeleke Zerfu:
„Neem een maand vrij voor mijn land’’
De open en meeslepende lach van de 50-jarige Zeleke Zerfu uit Gonder moet ergens vandaan komen. „Misschien lach ik veel omdat mijn land bekend staat om zijn dertien maanden zonneschijn”, zegt hij met nationale trots en met overgave in zijn restaurant Sunshine, gelegen aan de pittoreske Pauwstraat in Utrecht.

Zerfu ontvluchtte zijn land in 1981 omdat hij zich als student had gekeerd tegen de toenmalige militaire dictator Mengistu (betekent macht).

Zerfu werkte in loondienst in de lage landen en kon eindelijk zijn eigen restaurant openen. Op de kaart schitteren prachtige Ethiopische gerechten, waarbij enjara, de beroemde enorme pannenkoek, vaak als basis dient. „Maar ook kitfo hebben we hoor. Dat is een soort filet americain. We hebben de smaak ietwat bijgesteld want anders brandt het de Nederlandse mond uit.” Er valt pas een stilte als we vragen welk deel van Ethiopië we per se moeten bezoeken. Diplomatiek stelt hij: „Alles heeft zijn charme. Ik zou een maand vrij nemen en het hele land bekijken.’’

Er springt een man voor m’n motor

TEKST EN FOTOGRAFIE: Rob Hammink

Armoede, mislukte oogsten, honger en holle kinderogen. Het gonst allemaal nog na over het oude Abessinië. Ethiopië is met zijn woeste rivieren, hoge bergen en hete woestijnen niet het meest voor de hand liggende vakantieoord. Juist daardoor heeft het een onontdekte magie. We trokken twee weken lang over de stoffige en levensgevaarlijke wegen en verbaasden ons over het ’andere’ gezicht van dit ontwikkelingsland. Doel: het hoogste paadje dat met de motor in Afrika is te bereiken. Het werd een toch van uitersten.

Slider-Rob-Hammink-ethiopie-motorGehaald: het hoogst begaanbare motorpad van Afrika op 4400 meter.

Om overeind te blijven in dit land van onvoorspelbaarheden, zijn goede rijdkwaliteiten van levensbelang. Vanuit het niets duiken honden, ezels, geiten en mensen op.

Is dit Afrika? Het blijft verbazen. Een klamme koude wind duwt zware wolken over de bergtoppen. Zowel voorganger als achterliggers verdwijnen als kwetsbare schimmen in de nevel, terwijl het grillige pad, waarover keien die door de natuur zijn uitgestrooid, onvoorspelbare wendingen maakt. Motorgeluiden van groepsgenoten sterven af. Er is geen tijd voor vragen, geen tijd voor twijfels. Geest en lichaam zijn het met elkaar eens: concentratie is nu een eis. De wielen recht en op het juiste moment de opdoemende bochten insturen. Dan wordt het opeens lichter en steekt de zon fel af tegen de blauwe lucht. De hoogtemeter geeft 3500 meter aan. Nog 900 meter te gaan tot het hoogste punt in deze oogstrelende Bale Mountains. Dan hebben we het doel van deze reis bereikt, met vallen en opstaan. Letterlijk.

Met onuitroeibaar optimisme stelde Edwin van Delden, van Travel2Explore, vier weken geleden de motortocht door het zuiden van Ethiopië voor. Zijn organisatie biedt geen voorspelbare reizen aan, maar – de bedrijfsslogan losjes vertaald – ’unieke levenservaringen’. „Het gaat ditmaal om een verkenningstocht, om te kijken of het wat is. We beginnen in de hoofdstad, zakken dan af naar het zuiden, een gebied grenzend aan Kenia, waar bijzondere stammen leven met van die grote kleischotels in hun lip, de Mursi-stam. Dan gaan we terug over de Bale Mountians. Deze route door Ethiopië is nog onontdekt. We verplaatsen ons op Chinese off the road motoren. Op zich al een avontuur.” Dat laatste bleek een understatement.

Get up stand up… Addis Abeba. In het busje vanaf het vliegveld klonk reggaemuziek van good old Bob Marley. Het lied was minimaal voorspellend, maar dat wisten we toen nog niet. Ook niet dat het alfabet hier uit 256 letters bestaat en een jaar hier dertien maanden heeft.

De elf motoren staan gebroederlijk naast elkaar, nieuw uit de Chinese doos, waarschijnlijk in elkaar gezet op maandagochtend. Het vertrek wordt vanwege nog loszittende motorsteunen en ontbrekende bouten en schroeven met een dag uitgesteld. De Mercato, de lokale markt, omarmt ons in de hoofdstad Addis Abeba. Duizenden mensen krioelen door elkaar, allemaal onderweg naar iets onzichtbaars. Overal geluiden en overal kleuren. Posters van de goedbedeelde Britney Spears worden net zo goed verkocht als Maria met kind.

Slider-Rob-Hammink-ethiopie-marktEr worden zelfgemaakte kapstokken (drie haakjes in een plankje) en saffraan verkocht. Handelswaar vaak niet meer dan tien wortels of twintig aardappelen. Er wordt gebedeld zoals in arme Afrikaanse landen wordt gebedeld, vooral door kinderen. „Mister give me birr”, de nationale munteenheid. Vrouwen schrijden in versleten doeken voorbij. Zoveel gratie zie je niet in de PC Hooftstraat.

Eindelijk is het zover. De motoren komen de volgende dag voor het eerst tot leven. De truttige koffertjes worden er bij voorbaat van afgesloopt. Ze zullen toch maar lostrillen. Het kompas staat gericht op het zuiden, richting het plaatsje Butajira waar de Guragestam, slechts één van de achttien etnische groepen, de toon zet. Ik zie er in mijn gele Paris Dakar pak met witte Gary Glitter laarzen uit als een clown. De wegen zijn prima, afgezien van geiten, honden, ezels, paarden en mensen die zonder enige waarschuwing oversteken. Dan heb ik het nog niet over de daklozen die bij voorkeur in asfaltgrijze kleding op de weg liggen te slapen. Bij Melka Kunture, 50 kilometer van Addis Abeba, stopt Wok, onze gids die 25 jaar geleden eigenlijk als Wegderes Degu werd geboren. Op deze prehistorische plek wordt duidelijk dat dit deel van Afrika de bakermat is van al het leven. Dit is het land van het drie miljoen jaar oude skelet Lucy, een belangrijke schakel in de evolutie.

Onze ontdekkingsgroep bestaat vooral uit Zaankanters en West-Friezen. Opmerkelijke mensen, die elkaar begrijpen met korte luide zinnen, waarin vaak slechts één onderwerp en één werkwoord schitteren. Hun leven is jaloezieopwekkend overzichtelijk: ze kaarten (eenendertigen), ze drinken royale hoeveelheden bier, ze lachen en ze rijden motor. De 51-jarige Johan Bakker is misschien wel de kleurrijkste van het stel. Historisch zijn de woorden: „Jullie rijden niet door. ’t Lijkt wel een Solexclub.” Met zijn advies om vooral de kettingen te smeren vanwege de zandwegen, geeft hij voor de zesde keer een brevet van onvermogen af.

Hoe zuidelijker we komen, hoe onherbergzamer het landschap wordt. Het asfalt heeft plaatsgemaakt voor onafzienbare zanden gravelpaden met diepe kuilen. In het onedele staal van mijn Chinese voorvelg komen de eerste deuken. We rijden veel te veel en veel te hard, omdat sukkelen vanwege de grote afstanden geen optie is. Overal dieren en mensen. Tijdens één van de zwaresjag-stops „Effe een peukie doen. Klaar” duiken ze vanuit het niets op. Armoedig en arm, maar niet extreem mager in dit deel van het land. Ethiopië is met zijn ruim 77 miljoen mensen voor Afrikaanse begrippen zeer dichtbevolkt. Het landschap is hier niet dor, het is eerder feeëriek met glooiende heuvels terrasteelt à la Indonesië. Er worden allerlei soorten graan verbouwd zoals tiff, dat dient voor dé nationale dis Enjara, een soort zure platte grote pannenkoek waarvan een stuk wordt afgescheurd om er daarna een stuk vlees of vis mee op te pakken.

Jan Spits (66) is de oudste van het stel. Aimabele, bereisde man, die tijdens deze tocht zijn oude liefde weer oppakt. „Toen ik mijn zaak begon en een gezin had te onderhouden, heb ik mijn motorrijbewijs vrijwillig ingeleverd. Je bent toch kwetsbaar op zo’n ding. Maar oude liefde roest niet. Dus ik ben er nu bij.”
We ploeteren meer en meer naar het zuiden. Net voorbij Arba Minch ligt het Chamo meer, waarin nijlpaarden en gigantische zoetwaterkrokodillen ons op ongepaste afstand nauwlettend in de gaten houden. Als het kwetsbare bootje ons aan het eind van de middag naar de motoren terugvaart, breekt de hel los. Het is donker, het bliksemt onophoudelijk en het regent. De man met machete, die ons op de heenweg naar het meer achterna rende, is godzijdank weggespoeld. De tocht wordt steeds spannender.

Voor Johan Bakker uit Bovenkarspel de volgende dag iets te spannend. Hij stort zichzelf door een stuurfout in een vijf meter diep ravijn en stuitert als een lappenpop over de rotsen. Ik ben de eerste die bij zijn bewegingloze lichaam aankomt. Geen pols, geen ademhaling. Ik vrees het ergste. Dan komt Bakker rochelend tot leven. Netto resultaat: vier gebroken ribben, gebroken sleutelbeen, gebroken bekken, gebroken schouderblad en een klaplong. Hij zal weken in het Keniaanse Nairobi in het ziekenhuis liggen.

Om het avontuur compleet te maken verdwalen twee deelnemers in een gebied waar de Konso-stam en de Borna-stam elkaar met machinegeweren het leven uit schieten. „Iets over landrechten”, aldus een pompbediende, die ons bij toeval tipte over de recentelijk uitgebroken gevechten.

We laten het zuiden voor wat het is en rijden in een sfeer van, ja van wat eigenlijk, een groot deel van de route weer terug. Terug naar de kleine sobere hotelletjes waar je nooit meer dacht terug te komen. Het merkwaardige is dat we bijna niets herkennen, het landschap is met zijn lieflijke riviertjes waarin mensen zichzelf en hun kleding wassen mooier dan op de heenweg. Soms wordt met stenen gegooid, vaak gezwaaid, nog vaker gebedeld. Ethiopië is onverbiddelijk, maar heeft vele gezichten, zo blijkt.

Via Asawa door naar de Bale Mountains. Het wordt steeds rustiger. Af en toe komen we bij wegwerkzaamheden wat Chinezen tegen. Zij hebben het arme Afrika, rijk aan grondstoffen, ontdekt als voorraadschuur. Voor hen is het zwarte continent het nieuwe wilde Westen. Momenteel zijn er 900 Chinese bedrijven actief op het continent en de handel tussen Afrika en China is in vijf jaar tijd vervijfvoudigd. Schimmige deals worden gesloten: de Chinese pioniers leggen een infrastructuur aan en krijgen daarvoor ijzer, olie, bauxiet, bomen….

Net voor het plaatsje Meraro springt er een man voor mijn motor. We blesseren ons beiden. De snee in zijn hand is vervelend maar zet al snel aan tot levensbedreigende situaties. Stond hij direct na de klap nog recht overeind, een halfuur later wordt hij met paard en wagen de binnenplaats van het lokale politiebureau opgereden. Meer dood dan levend. In het dorp zingt het rond: dat wordt betalen witte man… De brief van het ministerie van Toerisme verricht wonderen. We zijn hier om de schoonheid van uw land te beschrijven. Niet aanstormende acteurs.
Na ruim twee weken stof, kraterwegen, onnavolgbare logica van loslopende geiten, komen we aan in Addis Abeba. De motoren die nog rijden hebben zich bewezen, maar zien er gehavend uit. Voor organisatoren Paul Duijf en Edwin van Delden komt nu misschien wel het moeilijkste deel van de reis: hoe leggen ze afgebroken spatborden, accuhouders, spiegels, en zwabberende achterwielen uit aan de eigenaar van de tweewielers?

Eenmaal in het vliegtuig naar huis weet Paul Duijf van Travel2Explore: „Op een pilot-reis gaan dingen wel eens fout. Daar leer je van. We gaan dit verstopte deel van Ethiopië zeker aanbieden als commerciële reis, maar dan een iets andere route met meer rustdagen en zeker met andere motoren.”

 

Slider-Rob-Hammink-ethiopie-boot

Klik om naar alle foto’s uit deze reportage te gaan

 

Bron: Telegraaf
Download artikel