Dakloos zijn is hard werken!

Met een grote boog lopen mensen om ‘onze’ dakloze Kees heen. Wat een eenzaamheid.

VERSLAGGEVER TROGGELT VOORBIJGANGERS IN DAG MET MOEITE SLECHTS ÉÉN EUROOTJE AF

AMSTERDAM, zaterdag
„Ik ben liever ongelukkig op de achterbank van mijn Rolls dan op de achterbank van een Kever.” Met de gevleugelde woorden van miljonair Ogilvy in het achterhoofd, slenter ik tegen het einde van de middag de PC Hooftstraat in. Moedeloos, maar hier ademt aan de oppervlakte succes, geld en een probleemloos leven.

Slider-Rob-Hammink-Dakloos-u-heeft-alles

Dakloos.. U heeft alles

De vuilniszak bungelt losjes in mijn hand, af en toe struikel ik over losse veters. Geprangde blik, want ik ben zeiknat en ik voel me langzamerhand het schuim der natie. Ik stink, loop al sinds de vroege ochtend zonder succes door de stad en ben de ontwijkende hypocriete koppen van mijn mede-Nederlanders zat.
Voor het pand van pakkenmaker Oger strijk ik stilletjes neer met mijn kartonnetje waarop staat: U heeft alles. Bc heb niets (meer). Er komt een warme zucht wind uit de winkel waar dikke portemonnees elkaar ontmoeten.
Het simpele geluk duurt 4 minuten en 28 seconden. Eerst rijdt er langzaam een politieauto langs en daarna twee sportieve agenten op een mountainbike. Duidelijk getipt over zoveel menselijk afval voor de koninklijke blauwe deur.
„U bent aan het bedelen”, zegt de langste van de twee. Het diepe inzicht vraagt om een reactie. „Maar ik vraag toch niet om geld? Ik zit hier even uit te rusten.” Discussies met de sterke arm bewijzen al jaren geen effect te hebben. Een proces-verbaal laat zich voorspellen. ‘Bedelen in de PC Hoofd’ (met een d), schrijft hij op. Achter het bedrag een sterretje, want „daar gaat de officier van justitie over”. Nog even probeer ik: „Maar ik heb al zo weinig geld.” De kleinere weet: „U hoeft hier niet te zitten. Er zij n allerlei instanties waar u eten, drinken en zelfs een dak boven uw hoofd krijgt.” Waar precies is hem niet bekend.

Gratis folder
Als dank geef ik hem een gratis folder, waarvan ik er voor eventuele verkoop 30 had meegenomen uit een rek aan het Damrak. „Er staan allerlei leuke goedkope busreisjes in”, probeer ik nog. De metamorfose tot Swiebertje is blijkbaar gelukt, want als de meldkamer terugkomt met de informatie dat meneer vijf auto’s op zijn naam heeft staan, leidt dat niet tot gezonde achterdocht. „U dient nu uw weg te vervolgen.” De verloedering door bedelarij is met succes beteugeld, helemaal in de lijn van de Algemene Plaatselijke Verordening (bedelarij werd in 2000 uit het wetboek van strafrecht geschrapt, RH). Zwervers, daklozen, bedelaars. Vroeger heette het gewoon arm.

Stinkende kleren, vierdaagse baard en klaar was ‘noemt u mij maar Kees’
Amsterdam telt er 2630. Ze houden in ieder geval wetenschappers van de straat. Vele spiegelonderzoeken, enquêtes en meer moois worden er tussen de koffiepauzes door over deze doelgroep afgescheiden. Eén valt in positieve zin op: Daklozen in Amsterdam, van dr. Lindeman, drs. Crok en drs. Slot, niet in de laatste plaats omdat Max Pam er een leuke essay voor schreef. Onderzoek wees volgens hem uit dat honger niet tot de wensdroom eten leidt, maar wel tot seks. Bijna net gewone mensen, die daklozen.
Maar zo ziet men ze niet, werd me duidelijk. Zo zag ik ze, toegegeven, zelf ook niet. Daklozen zijn eng, hebben gewoon een uitkering en ze zijn vaak verslaafd, terwijl dit percentage in werkelijkheid toch maar op 12% ligt. Sociale problemen als huisuitzetting (25%) en problemen met (pleeg) ouders (16%) scoren hoger.
Deze dag begon opgewekt, bijna lacherig. Uit een garage van een vriend haalde ik vieze vette stinkende kleren. Een gebreide muts, vierdaagse baard, wollen handschoenen en klaar was ‘noemt u mij maar Kees’.
In de metro vanuit de Bijlmer richting stad vraag ik mijn eerste bijdrage voor een beter leven. De 12-jarige Arthur is onderweg naar de schaatsbaan. „Ik heb het geld zelf nodig.” Een meneer tegenover me zoekt naar een munt en vindt vijftig eurocent, die hij met een vaderlijke knipoog aan me geeft. Je ziet hem denken: ‘weer een stukje dichter bij de hemel’. Als dit tempo doorzet, haal ik die 100 euro wel.
Wibautstraat. De regen heeft op een onwrikbare manier ingezet. Heb ik weer. Voor de zekerheid toch maar wat Z-kranten kopen als handel. Inkoop € 0,80, verkoop € 1,50. Op de hoek van de 2e Oosterparkstraat probeert Kees nog even een bezoeker van de coffeeshop te verleiden tot een aalmoes. Meestal relaxt, die lui. „Heb net m’n geld uitgegeven aan spul. Sorry”, aldus de man van middelbare leeftijd op een bovengemiddeld dure scooter. Opvallend genoeg zou er vandaag heel vaak „sorry” worden gezegd om de gierigheid te compenseren.
Bij de vrienden van Z een warme sfeer. Ik kan wat kranten kopen. „Mooi. Doet u er maar tien.” Maar het feest gaat, in dit land van de pasjes en papiertjes, niet door: geen noodzakelijk Z-krantverkoperspasje. Een medewerker: „Je moet (daklozen zijn altijd ‘je’) eerst op een intakegesprek komen en dan beslissen we daarna wel of je in aanmerking komt.” Langzaam begint de paniek toe te slaan.

Niemand weet dat ik twee briefjes van vijftig in mijn zak heb, maar stel, stel dat je echt geen geld hebt. Plan B: een vel papier, gevonden bij de vuilnis, waarop ik in korte kreten mijn ellende zal beschrijven. Maar wat zet je erop? Slachtoffer Srebrenica, is smakeloos. Verlaten door echtgenote of verstoten door iedereen, te dicht bij de waarheid. Ik houd het op een algemene tekst: u heeft alles en ik niets (meer). Vooral dat meer, is een psychologische truc, die moet leiden tot herkenning en de vergankelijkheid van succes. Onderliggende boodschap: voor u het weet, zit u hier. Ondertussen heb ik gebeld met het Leger des Heils. Daar kan ik morgen terecht voor een afspraak. Ze beloven me gratis onderdak als ik echt geen geld heb. „Vanavond moet je nog even zien door te komen.” Bij de Bijenkorf zijn de uitgangen al bezet door collega’s, zoals Ibrahim uit West-Afrika. „Ik ben al tien jaar dakloos”, weet de sympathieke man. „Wat ik netto ophaal op zo’n dag? Gemiddeld vijfentwintig euro.” Ibrahim heeft gehoord dat het laatste nieuws zeker tachtig euro dicteert. „Onzin. Misschien als je heel agressief bent, maar zo zit ik niet in elkaar.” Hij geeft nog twee tips: „Ga in het weekeinde de stad uit, richting Amstelveen of zo, want de concurrentie is hier dan te groot. En als je wilt slapen, ga richting Zuid. Daar is het rustig en heb je genoeg portieken.”

Met ongekend gevoel voor drama ga ik midden op de Dam zitten, centraler kan niet. Het regent nog harder, de maag knort. Mensen schieten diep weggedoken in hun jassen voorbij. Niemand kijkt. Niemand geeft. Na twee uur ben ik verkleumd en nat tot op het bot. Nu ik toch in de buurt ben; ik moet nog steeds een nieuw pasje aanvragen bij de Rabobank. Tegen alle verwachtingen in zijn de medewerkers dienstbaar en komt voor het eerst het woord u weer uit de kast, gevolgd door het advies om vooral een bedrag van mijn lopende rekening naar de spaarrekening over te schrijven. „Dat zijn toch weer wat extra procenten op jaarbasis”, aldus Sebastiaan. Ik kijk glazig en dat ik een nat spoor vanuit mijn volgelopen vuilniszak achterlaat, is niet erg. „Dat ruimen we wel op.” Als ik Sebastiaan vraag waarom ik als hard-core zwerver zo weinig geld ophaal, antwoordt hij nuchter: „Misschien hebt u last van het slechte weer. Als de zon schijnt, is de mens vrijgeviger.” Duidelijk: het is slimmer om in de zomer dakloos te zijn.

Struise vrouw
De Dam is geen succes. Misschien omdat de mensen te veel ruimte hebben om je letterlijk te ontwijken. Dus wordt het een uur de Kalverstraat, die vijftig cent per uur oplevert. Ik zie haar nog langslopen: een struise vrouw onder een paraplu. Ze keerde om, keek me kort aan en gooide devoot haar muntstuk op mijn bedelaltaar. Daarna ging ze op in de massa. Eigenlijk was het een kort contact van liefde. Kou doet vreemde dingen met je.

Verder. Waar zit geld? Waar struikel je over geld? Via het Leidseplein richting PC Hooftstraat. Op een bankje kom ik een ineengedoken dakloze tegen. De druppels hangen aan zijn vermoeide oogleden. Hij vraagt me om geld. Eigenlijk wil ik hem toebijten dat ik ook geen cent heb om mijn kont te krabben ‘zie je niet dat ik hartstikke dakloos ben, sukkel’, maar ik voel me steeds ongelukkiger in mijn rol. Ik ben niet dakloos. Ik heb geld. Ik loop hier een beetje goedkoop effect na te jagen en dus geef ik hem mijn euro. Ik wil helemaal niet weten of hij ergens pro forma staat ingeschreven en of hij een uitkering heeft. Niemand zit voor zijn lol hier op dit bankje. Na het korte debacle in de straat waar Prada en Scapa het grote gelijk dicteren, slenter ik tegen zonsondergang richting stad, koop een biertje en ga in een veilig hoekje op het Max Euweplein liggen. De stad valt in slaap, ik heb niet gegeten, maar morgen ziet alles er weer heel anders uit. Laat deze nachtmerrie snel voorbij zijn en laat nu die droom van Max Pam maar komen.

Slider-Rob-Hammink-Dakloos-grond

Klik hier om alle foto’s uit deze reportage te zien

 

Bron: Telegraaf
Door ROB HAMMINK
PDF