Het Duivelsei ontmaagd!

De top van het magische Duivelsei is Duivelsei is, om in juiste klimmers-termen te blijven, ontmaagd. Daarmee bereikte de expeditie van beroepsavonturier Ronald Naar eergisteren zijn doel na twee keiharde weken de diepste jungle van Suriname
te hebben bevochten. Hoe de Julianatop-expeditie de Duivelsei-expeditie werd…
De tocht was zwaar. Het vochtige klimaat, de ondoordringbaarheid van het oerbos en
het gebrek aan voldoende eten eisten hun tol.
Deze krant nam exclusief deel aan een tocht door niemandsland waar niet de mens,
maar de natuur met keiharde hand regeert.

door ROB HAMMINK

DUIVELSEI (Suriname), zaterdag „Voor een bergbeklimmer is dit een natte droom. Een top te vinden, die nog nooit is beklommen. De weg was tot op het laatste moment onzeker.” Ronald Naar en de twee big-wall-klimmers Gerke Hoekstra en Martin Fickweiler zijn het onwrikbaar met elkaar eens. Ze hebben het keiharde graniet van het Duivelsei bevochten en hun doel gehaald!

Ronald Naar, veilig terug aan de oever van de Lucierivier, die ons verleden week voor een groot deel dit gigantische natuurreservaat van tienduizenden vierkante kilometers in bracht: „Maar het succes diende zichzelf niet zomaar aan. Het was zwaar. Probleem was dat we van de natuur moesten leven. Op al mijn andere expedities was het koud, maar je nam instant voedsel mee.”

Hij kijkt langs zijn vijf kilogram lichtere lijf naar beneden: „Ik zet een bv op voor mensen die willen afvallen. Deze tocht doet wonderen.”

De sfeer is voldaan, maar niet uitbundig, daarvoor zijn we te moe. Ieder voor zich denkt terug aan de afgelopen week.

Het kompas gaf zes dagen noordoost aan. Een wat onrustige naald, tot nu toe zo symbolisch voor het succes van de expeditie. We hadden onze twijfels of het wel zou lukken. Met een kompas en junglekennis van de twee gidsen, Sensi en Apante, die ook nog nooit in deze streek rondliepen („hier liep nooit iemand rond, want wat heeft een weldenkend mens hier te zoeken?”), het primaire oerbos van Suriname door, leek het op z’n zachtst gezegd gekkenwerk.

Lianen
De laatste loodjes. Af en toe worden woudreuzen afgewisseld door stukken mangrovebos waar lianen als tanige armen uit Hades omhoog krullen en ons aan onze enkels naar beneden het moeras in willen slepen. Ik bouw een haat-liefdeverhouding op met deze omgeving. Aan de ene kant is het prachtig en onaangetast. Niets mooier dan ’s ochtends vanuit je hangmat naar de boomkruinen van veertig meter of meer omhoog te kijken. Aan de andere kant is het een grote composthoop in de schemering, met een energie opeisende bodem van rottende bladeren en omgevallen bomen waarin constant gevaar schuilt.

Kappen, struikelen, vallen, opstaan. Maximaal drie kilometer per dag. Ik stink als een lekkende fles ammoniak van een inferieur merk. Volgens Naar: „Het lijkt wel of er een bronstige bosolifant over mijn kleren heeft gepist.”

Waarom ben ik hieraan begonnen? Waarom zei ik ’ja’ tegen Ronald Naar toen deze twee maanden geleden het absurde plan voorlegde om de Julianatop en misschien nog het Duivelsei in de diepste binnenlanden van Suriname te vinden? Misschien was het motief wel triviaal en was het alleen de naam van het ding: Duivelsei. Het heeft alle ingrediënten van een slechte thriller. De vloek van het Duivelsei, of zoiets. Hij wil niet gevonden worden en doet er alles aan om ons, met dit grote enge bos als buffer, tegen te houden. Ik dood dankbaar mijn tijd met melodrama.

Het is bijna een week geleden dat we de veilige Zuidrivier en Lucierivier, vol met zwemmend voedsel, verlieten en de sobere jungle introkken. Onderweg had de Julianatop voor het Duivelsei moeten wijken, niet in de laatste plaats omdat de kaarten naar die Julianatop wegdreven na een bootongeval. Bovendien was de Julianatop al eens beklommen, het Duivelsei nog nooit. Toen we de jungle introkken, wisten we nog niet dat de maanden tussen januari en mei dé maanden zijn dat er palmvruchten als awara en maripa groeien. Nu is er niets, zelfs geen zoete mopé, dat door dieren, mensen en vissen wordt gegeten. Het ontbreken heeft een direct effect op onze magen: er is dus ook weinig wild in groepjes om te schieten. De bosvarkens en boskippen scharrelen als los zand rond om te overleven. Hoe bijzonder het ook is dat vier volstrekt vreemden in goede harmonie een prestatie leveren, toch staat het ’wij’gevoel soms een beetje onder spanning, met name tijdens het eten. Je hoeft geen wiskundige te zijn om te weten dat de 1200 rijstkorrels, gedeeld door acht, geen 300 rijstkorrels voor jezelf zijn. Maar op een gegeven moment is ook de rijst op en we hopen dag na dag dat Apante met zijn door tuinslangklemmen bijeengehouden geweer iets schiet, het maakt niet uit wat. „Ik schiet heel bewust, nooit te veel en alleen apen als het echt niet anders kan”, zegt de sympathieke boscreool met grote grijns. Hij leeft soms weken op alleen water. Toegegeven: dat water wordt steeds beter naarmate we dieper en dieper het regenwoud intrekken. Steeds maar weer hopen dat je een kristalhelder beekje vindt, desnoods een meter breed, iets met water om een kamp te kunnen opzetten.

Suriname-DuivelseiHet absolute keerpunt in deze groene hel is als Ronald Naar door het bladerdek, dat ons al dagen van zonlicht afsnijdt, heen wijst en zegt: „Daar is hij.” In de verte zien we de contouren van een 980 meter hoge berg met daarop een prachtig ei waar we zo lang naar zochten. Ik val een minuut later en probeer mijn balans te vinden met de machete. Het verroeste ijzer snijdt tot op het bot in mijn middelvinger. We lopen door en door en maken uiteindelijk kamp drie.

Ronald Naar, Martin Fickweiler en Gerke Hoekstra gaan direct door om op een richel, honderd meter onder top, de nacht door te brengen. Ze zullen en móéten… De tijd dringt. Als de drie klimmers een dag en een nacht weg zijn, missen we toch de opgewektheid van de expeditieleider, die zich vooral ’s ochtends openbaarde in trommelvliestergende zangkanonnades, waarmee hij misschien ooit nog eens wereldberoemd in Den Haag en omstreken wordt. „Het leven is een pijpkaneel…”

Titanenstrijd
Terwijl de drie klimmers hun titanenstrijd naar boven leveren, hoog boven de broccoliomgeving uit, doden wij onze wachttijd met unieke verhalen van twee boslandcreolen Apante en Sensi. Ze leven niet alleen in het bos, ze leven met het bos. Bomen als medicijnen, water als beste vriend. Ze hebben het over de zwarte ’broeder’ in de stad en de achterstand van de bosnegers, die dit jaar eindelijk, en voor het eerst, in de regering zitten. „Voor ons is jullie beklimming ook een overwinning. In Paramaribo hebben mensen deze expeditie afgeraden, te gevaarlijk. We zouden het leger moeten waarschuwen. Ha, ha. Jullie hebben geen expeditie gemaakt. Jullie hebben een survivaltour gedaan”, aldus Sensi. Hij heeft gelijk: je zou hier hangjongeren binnen twee weken omtoveren tot normale mensen, die verder denken dan de expansie-uitlaat van hun scooters. Heel leerzaam: twee weken lang met één meter flosdraad, je handdoek aan stukken knippen om pleisters van te maken en geen patat in de buurt.

Slider-Hammink-ronald-naarMartin Fickweiler, in wiens schaduw Indiana Jones niet meer is dan een Sissi, zegt: „Het was een geweldig avontuur. Vooral de onzekerheid was geweldig. Meestal weet ik wel waar een berg ligt. Ik was verbaasd over het oergesteente van het Duivelsei, dat keihard was, maar anders overleeft het dit meedogenloze klimaat niet.”

Gerke Hoekstra vond het enige zware het eenzijdige en weinige eten. „Zwijn als ontbijt, lunch en diner, is wat te veel van het goede. Dan heb ik het niet eens over het moment toen de rijst voor dagen op was. Ik vind het een wonder dat de mens zonder voeding tot zulke prestaties in staat is. Ik kijk daar echt van op. Ik ben gewend om af te zien. We hebben in januari drie dagen op zeshonderd meter aan een wand in Patagonië gehangen terwijl er een storm om ons heen gierde. De enige bescherming tussen ons en de afgrond was twee millimeter nylon. Maar nu, met dit Duivelsei-avontuur, heb ik weer nieuwe grenzen ontdekt.”

Morgen de lange weg over de rivieren terug, boot uit, duwen, boot in. Wonden van teken en schorpioenen likken in de boot, letterlijk. Maar ditmaal een nieuw doel: een onvervalst Parbo-biertje in hotel Torarica. Hopelijk revancheert het Duivelsei zich niet alsnog op de terugweg bij één of andere waterval. Dit laatste deel schrijf ik op een rots midden op de rivier. We zijn zojuist gestrand, omdat de opgelapte korjaal, waar een week geleden een verrotte woudreus op viel, het wederom voor de kiezen krijgt en is omgeslagen. Spullen drijven weg, de motor is onder water geweest. We zijn nog lang niet thuis, zoveel is wel duidelijk…

Slider-Hammink_kantoor

Klik om naar alle foto’s uit deze reportage te gaan

 

Bron: Telegraaf
Download artikel

Lees ook Op jacht naar Duivelsei
Lees ook Groeten uit het enge bos