Groeten uit het enge bos

Korjalen op de wal, echte junglewerk begint nu pas!
Op weg naar het Duivelsei. Het oorspronkelijke plan, het bereiken van de Julianatop, moest noodgedwongen al snel worden aangepast, omdat de kaarten naar de Julianatop waren weggedreven nadat de korjaal was omgeslagen in een waterval. Geluk bij een ongeluk, want de ’moeder aller eieren’ is veel uitdagender. Ronald Naar ploegt door de Surinaamse jungle om de magische rots van graniet te beklimmen. In zijn kielzog Martin Fickweiler en Gerke Hoekstra, twee big-wall-klimmers, die graag het regenwoud-avontuur aangingen en uw verslaggever. Na de tientallen roofvissen, kaaimannen en de valpartijen begint het echte werk. De rivieren laten we achter ons. Nu is het de jungle die wacht.

door ROB HAMMINK

LUCIERIVIER (Suriname), zaterdag „Het gevoel dat je écht helemaal alleen bent, niet een beetje op jezelf, nee, echt ver weg van de bewoonde wereld. Dat gevoel is uniek aan het worden op deze planeet. Zelfs aan het begin van de Patagoonse gletsjer ben ik twee jaar geleden mensen tegengekomen.” Beroepsavonturier Ronald Naar staat op een granietrots aan de oever van de Lucierivier en reageert op de vraag wat hem in hemelsnaam aantrekt in deze oerjungle, dit donkere diepe ongerepte bos vol gevaren. Hij benadrukt nog eens: „Het gevoel van eenzaamheid is indrukwekkend.”

Slider-Hammink-rivier-lucyDeze hele tocht is inderdaad indrukwekkend. In dit sprookjesparadijs worden we omringd door geluiden van onzichtbare dieren, die ’s nachts tot leven komen: padden, kikkers, kevers, krekels, nachtzwaluwen, vleermuizen en niet te vergeten de brulapen, die het geluid maken van een neerstortende F16. De twee motoristen van de korjalen, Saleng en Winter en de twee gidsen Apante en Sensi maken duidelijk dat het fenomeen mens nog in staat is om te overleven zonder pincodes, chipknip en voordeelbonnen waarmee een reis naar Turkije is te winnen. Ze horen en zien alles.

Waar wij alleen takken zien, zien zij boskippen (leguanen). De prehistorische dieren vinden we dan ’s avonds, als welkome afwisseling op het vismenu, terug op ons bord, naast de eeuwige rijst.

We hebben in vijf dagen tijd in twee korjalen via de Zuidrivier, na de roemruchte Tempervallen te hebben overleefd, dan eindelijk bijna het einde van de Lucierivier gehaald. Met vallen en opstaan, letterlijk. Bij iedere waterval springen we zwijgend de boot uit en duwen we de trouwe uitgeholde boomstammen met man en macht tegen de stroom in omhoog. Wat in het begin een bezoeking was, is een noodzakelijk kwaad geworden, zeker op momenten als je door het vocht wit uitgeslagen voeten bijna zijn opgedroogd. En iedere keer weer de angst dat je apparatuur nat wordt, zoals de satelliettelefoon, waardoor de levenslijn naar de bewoonde wereld weg zou vallen. Geen mens die je dan nog vindt. „Die angst is redelijk slopend. En de angst wat er allemaal in dat water leeft, daar word je niet veel vrolijker van”, zegt Naar, refererend aan de piranha’s en de anjumara, een roofkarper met tanden als scheermesjes. De lokale anekdote wil dat de anjumara heel blij is dat de piranha de slechte naam heeft ingepikt.

Uitdaging
Ronald Naar over het verloop van de expeditie: „Lichamelijk valt het allemaal nog mee. Die uitdaging komt als we straks dwars door het bos naar het Duivelsei moeten lopen. Dan wordt het hakken geblazen en meer gevaren trotseren.” Dan spreekt de klimicoon zijn grootste zorg uit en wijst op een zelfgetekend vierkantje op zijn kaart dat zo’n twintig bij twintig kilometer beslaat: „Als we die magische rots überhaupt vinden. Niets is zeker, zo veel is zeker, en dat is nu juist de uitdaging van het echte avontuur.”

En rekenen op een gps, waarmee eenvoudig coördinaten zijn te vinden, kunnen we vergeten. Dat ding heeft namelijk al bij het vertrek de geest gegeven. Niet dat dit supersonische redmiddel veel zou hebben geholpen, want de kaarten die van dit deel van Suriname in omloop zijn, blijken uiterst magertjes in hun informatie. Naar de kaart kijkend in de drijvende boomstam, zegt Naar: „We zouden toch al een uurtje geleden een zijrivier moeten tegenkomen… Zie jij iets?”

Slider-Hammink-bushplaneToegegeven: deze expeditie heeft alles wat een expeditie in de klassieke zin van het woord moet hebben. Eilert de Haan, een Nederlandse wetenschapper die hier rond 1906 ronddoolde, zou dan ook trots op ons zijn.
Het doel is niet meer de Julianatop, zoals in eerste instantie gepland. A: het ding is al eens beklommen door Nederlandse militairen in 1963 en B: de kaart van het gebied waarin de top ligt, dreef weg na het omslaan van de boot, enige dagen geleden. Gelukkig, want het 980 meter hoge Duivelsei, gelegen tussen het Eilert de Haangebergte en het Wilhelminagebergte, in het centraal Surinaamse bos ter grootte van Nederland, is nog maagdelijk en spreekt veel meer tot de verbeelding van de klimmers. Daar willen de mannen heen. Gerke Hoekstra (23) en Martin Fickweiler (28) slepen de hele tocht al een mysterieuze tas achter zich aan die met gevaar voor eigen leven vaak wordt gered. Er blijken klimspullen in te zitten om het maagdelijke ’ei’ te bedwingen. Beiden zijn gelukkig om met de grote Naar op expeditie te mogen.

„Ik had allerlei vervelende verhalen over Ronald Naar gehoord”
Fickweiler: „Ik had allerlei vervelende verhalen over hem gehoord, dat de man egoïstisch zou zijn, maar daar heb ik nog niets van gemerkt. Een goede vent. Bovendien: je hoeft niet ieders vriendje te zijn, gezond egoïsme is noodzakelijk, anders kom je niet zover als hij”, wijzend op Ronald Naar die aandoenlijk in zijn tas grasduint om voor iedereen een tube zonnebrand te vinden. Hij blijkt inderdaad een lieve brave huisvader gecombineerd met een niet aflatende drang naar avontuur. Het geheim om vaak weg te kunnen, ontsnapte gisteren aan zijn lippen: „Wat er thuis gebeurt altijd belangrijker vinden, ook al zit je op de top van de K2.”

Fickweiler zelf is ook van het type: hoe spannender hoe beter. Twee maanden in Nederland en hij moet en zal weer weg. Hier, in deze uithoek van de wereld haalt hij zijn hart op. Met gevaar voor eigen leven stort hij zich van de ene waterval in de andere. Tijdens de korte pauzes, staat onze Martin tot aan de kin in het water te vissen. Stilzitten is dodelijk. Toch stond hij vanmiddag een contemplatief moment in het water te staren. „Dat er iemand een keer wordt gebeten, is duidelijk. Alleen door wat en wie zal het zijn? Ik ga toch iets voorzichtiger doen.” Nadat ik bijna zelf op een kaaiman stapte, kan ik zijn voornemen alleen maar aanmoedigen.

Onzekerheid
Collega big-wall-klimmer (mannen die in een hangmatje op 800 meter hoogte aan een verticale bergwand overnachten) Gerke Hoekstra vat de hele reis in alle eenvoud misschien wel het beste samen: „Alsof ik in een blad van National Geographic ben terechtgekomen. Het is de onzekerheid die deze expeditie zo spannend maakt. Gaan we dat ei halen en hoe? Het valt me tot nu toe allemaal wel mee. Ik dacht dat de jungle veel vijandiger zou zijn en er slangen in iedere boom zouden hangen.”

Vervolgens verzorgt hij zijn imponerende beenwond. Gevallen van een steen, amper tien centimeter hoog. „Als ik klim ben ik voorzichtiger dan wanneer ik loop, let maar op.”
Zo ver is het nog niet. Eerst vanavond het kamp voor de nacht inrichten, ditmaal een eeuwenoude plek van indianen, weet bosneger Sensi, die vergroeid is met het oerwoud. In het keiharde graniet zitten uitgesleten delen. „Zij slepen hier de punten van hun pijlen.”

Her en der liggen natte spullen op het warme graniet te drogen. De zon gaat onder. Het kampvuur dient als fornuis. De nacht wordt wakker en onze hangmatten hangen. Als ik achter een rots een intiem moment beleef en de natuur teruggeef wat ik gisteren van haar nam, hoor ik opeens Ronald Naar tussen de krekels door: „Hé, meneer de verslaggever heeft u het een beetje naar uw zin?” Hij komt aanlopen met een kopje water uit de rivier. Vrienden voor het leven, tot nu toe…

Slider-Hammink_kantoor

Klik om naar alle foto’s uit deze reportage te gaan

 

Bron: Telegraaf
Download artikel

Lees ook Op jacht naar Duivelsei
Lees ook Duivelsei ontmaagd