Op jacht naar duivelsei

IN DE DIEPE DONKERE OERJUNGLE van Suriname steekt de Juliana-top met zijn 1260 meter majestueus uit boven de grillige ’broccoli’-omgeving. Dat wil zeggen: op de kaart, want niemand kan vertellen hoe de berg erbij ligt. De enige expeditie die volgens dubieuze bronnen ooit in de buurt kwam, stamt uit 1963 en staat te boek als Schultz-expeditie, een botanische expeditie. Toen zou de Indiaan John Tawjoeram een vlag hebben geplant, maar John is onvindbaar.

Nederlands succesvolste klimmer Ronald Naar zal de komende weken proberen om dwars door het oerwoud de top te bereiken, samen met twee klimvrienden. Slapen in een hangmat en het diner wordt dagelijks bij elkaar gejaagd. Exclusief volgt De Telegraaf deze levensgevaarlijke tocht op de voet, meter voor meter, slang voor slang en hopelijk succes na succes.

Dwars door het oerwoud vol dodelijke slangen

door ROB HAMMINK
DEN HAAG, zaterdag De slecht gedetailleerde landkaart van Suriname dwarrelt vredig op de eettafel in huize Naar. Groene en gele vlekken geven in pasteltinten het landschap weer. Hier en daar een blauw lijntje van een rivier. Hoe lieflijk en overzichtelijk kan het leven zijn?

Julianatop-lokale-media

Krantenartikel Lokale Media Suriname

Wie had het over een groene hel?
De door weer en wind gemangelde wijsvinger van de alpinist Ronald Naar maakt gerichte bewegingen. Op een toon waarmee de gemiddelde sterveling een enkeltje Amsterdam-Zoetermeer bestelt: „Van Paramaribo vliegen we naar de Kayserberg in de binnenlanden. Dan de Zuidrivier af. Dan de Lucierivier op en dan volgen we uiteindelijk de Westrivier. Het regenseizoen is net ten einde, dus soms hebben we wat wilde watervallen, maar daar komen we wel uit. Het schijnt dat avontuurlijke lieden uit Paramaribo hier, bij deze bocht, verleden week hun boot aan barrels hebben gevaren, omdat er een meter dikke boom over het water lag. Ze hadden lucht gekregen van de Nederlandse expeditieplannen en wilden nog voor ons de Juliana-top bereiken, wat jammerlijk mislukte.”

Dan verdwijnt de vinger het lichtgroene deel van het Wilhelminagebergte in, een deel van de wereld met het ongerepte regenwoud waar op enkelhoogte een leger aan slangen, duizendpoten en schorpioenen rondscharrelt. Dan hebben we het nog niet eens over alles wat er in het water op de loer ligt en op navel- en nekhoogte aan griezels in de bomen hangt en rondvliegt.

 

Suriname Duivelsei Luchtfoto

Duivelsei vanuit de lucht

Luchtfoto
„Het laat zich natuurlijk moeilijk voorspellen, maar als we de rivier afkomen, moeten we hakkend de jungle door. Ik denk ruim een week. Ons doel, de Juliana-top, ligt in deze bergketen, maar sinds eergisteren willen we eigenlijk ook nog dit ding meepakken.” Naar cirkelt ten noordoosten van de Juliana-top wat rond op de kaart, wijst ’dit’ aan en pakt dan als reactie op mijn opgetrokken wenkbrauw een wazige luchtfoto uit een stapel papier. Een kleine grijns waarin geheimzinnigheid besloten ligt. „Het Duivelsei. Met die steile wanden van graniet dé droom van iedere klimmer. Kijk wat hij er prachtig bij ligt. Hiervan is het zeker dat nog nooit iemand hem heeft beklommen.” Het blijkt om een 980 meter hoge berg te gaan waarop inderdaad een gigantische steen ligt in de vorm van een ei. „Daar gaat je hart toch sneller van kloppen?” Niet alleen van dat Duivelsei, mompel ik onhoorbaar.

Het moet een vorm van acute breinverweking zijn geweest toen ik een maand geleden, met ingebouwde reserves van een schouder- en knieontsteking ’ja’ zei tegen de voorgenomen expeditie. De reden staat nog steeds overeind. Nadat Naar zo’n beetje de belangrijkste toppen ter wereld beklom, kritiek van collega-klimmers pareerde en waardering oogstte, heeft de 50-jarige Hagenaar nu andere doelen gesteld: maagdelijke uithoeken van de wereld, zoals zijn tocht in december 2003 naar de hoogste top van Patagonië, de Cerro San Valentin in het zuidelijkste puntje van Chili. „Het gaat voor mij niet meer om de beroemde hoogste bergen. Het gaat meer om gebieden die niet in kaart zijn gebracht. We denken dat die aarde van ons overzichtelijk is en dat we iedere uithoek kennen. Dat is onzin, ik kom nog steeds op plekken die niet of slecht in kaart zijn gebracht en waar hoogtes niet kloppen.”

De onderkoelde Ronald Naar is door de jaren heen veranderd. Hij mist een stuk vinger, een teen en heeft met een ingrijpende operatie zijn versleten knie aangepakt. Maar vooral: hij is milder geworden. „Dat mag ook wel als je vijftig bent.” Kortom: interessante wendingen als voer voor journalisten. Niet meer de kou en eenzaamheid als grootste vijand van een ontdooide ijzervreter, maar wel de ogenschijnlijke ondoordringbaarheid en onbereikbaarheid die trekt. De Juliana-top voldoet ruimschoots aan de nieuwe criteria. „Ik weet niets van zo’n jungleomgeving. Lokale hulp heb ik gevonden in de hoedanigheid van Boike Tojo, die een kleine reisorganisatie in Paramaribo runt. Hij zal twee gidsen leveren, die misschien niet het specifieke gebied kennen, maar in ieder geval de gevaren van de jungle.”

Dat stelt enigszins gerust. Toch is sinds een dag na het ondoordachte ’ja’ pas duidelijk dat de problemen tijdens deze tocht niet te overzien zijn. Dit wordt niet kirrend met een groepje fotograferende toeristen een nachtje de jungle in en slapen in een onvervalste hangmat. Dit wordt, naast een onvergetelijke tocht, ook zwaar en vermoeiend. Vluchten kon niet meer. Alle angsten voor kaaimannen, piranha’s en steekbijen werden door Naar met koelbloedige ironie gerelativeerd en de slangenfobie werd bij voortduring weggelachen. Eens stuurde de expeditieleider per e-mail een sportieve groet op van een goede vriend: een bushmaster, een van de dodelijkste slangen in de jungle van Suriname. In de voorbereidingsfase kwam steeds mijn vraag weer terug: al omgevingskaarten, Ronald? En steeds weer het antwoord: „Moeilijk. Dit gebied is slecht in kaart gebracht en er is al helemaal geen route bekend naar de berg. Dat maakt het zo leuk.”

Leuk. Dat was waar ook. Een week later werd desondanks met groot enthousiasme een tekening met onnavolgbare lijnen doorgestuurd met de tekst: ’ik heb toch iets’. Ronald Naar regelde alles wat los en vast zit met de twee andere expeditieleden: Martin Fickweiler (28), die professioneel klimmer zijn als hoogste levensdoel heeft gesteld, en Gerke Hoekstra (23), bevlogen bouwer van klimwanden. Kleding, rugzakken, waterzuiveraar. De Reisdokter en Tropenzorg leverden alle noodzakelijke zaken in de preventieve sfeer, zoals speciale tangetjes waarmee je angels van drie ons wegende bijen verwijdert.

Kantoor in de jungle van Suriname

Kantoor in de jungle van Suriname

Stopcontact
Prima allemaal en heel noodzakelijk. Maar als meesjokkende verslaggever had ik wel iets anders aan mijn hoofd. Hoe krijg je dit unieke avontuur in de krant en op onze website? En, niet in de laatste plaats: hoe kom je van een slangenfobie af zodat niet iedere tak met een anaconda wordt verward? De eerste hobbel werd genomen door mannen van onze technische afdelingen. Omdat bomen ook in Suriname niet voorzien zijn van een stopcontact werden er zonnepanelen aangeschaft als energiebron, in de hoop dat er af en toe een voltage-opwekkende lichtstraal doordringt tot de schemering van het oerwoud. Ook kwam er een laptop die na een onfortuinlijk val van tien meter vrolijk terugstuitert en het bij een luchtvochtigheid van 95%, waarbij ieder zoogdier na lange blootstelling ongetwijfeld kieuwen ontwikkelt, het blijft doen. Een nieuwe Iridium-satelliettelefoon zal dienen als navelstreng met de bewoonde wereld. Maar die dingen doen het alleen als er niets in de weg zit en in de jungle zit zo’n beetje alles in de weg. De tijd zal het leren. Hoop in combinatie met bidden blijkt tot nu toe de beste deugd. Het probleem slangen bracht ons bij de 69-jarige Bert Abyus, die het boek ’De slangen van Suriname’ schreef. Aan het einde van het lijvige boekwerk somt hij een groot aantal tips op om toch van een ontspannen jungletocht te kunnen genieten. Pootje baden doe je bij voorkeur met z’n tweeën, omdat een sidderaal je kan raken, waardoor een spontaan ingetreden verlamming tot de verdrinkingsdood kan leiden. De oud-instructeur infanterie leidde talloze militairen op en dan vooral in de jungle. Ook hier weer de sussende woorden dat slangen alleen aanvallen als je ze bedreigt of op ze stapt. „Kijk daarom altijd waar je loopt. Slangen kruipen graag weg overdag.”

Daarna vertelt de sympathieke man gedreven over zijn koudbloedige vrienden. Het antislangenmiddel snekikoti, een poeder dat is gemaakt van geroosterde koppen en staarten van gifslangen en door de bosbewoners via een krasje in de huid wordt gesmeerd, raadt Abuys af. „Bijgeloof. Dan kun je beter een goed antiserum meenemen, alhoewel niet iedereen daar tegen kan. Maak je niet druk. Ik begrijp dat slangen misschien niet vriendelijk overkomen, maar de angst voor dat mooie dier is ongegrond. Mijn vrouw is door een paard gebeten en is nu ook al vier maanden aan het dokteren.”

Als Abyus moet kiezen (iets wat hij liever niet doet) wat hij de gevaarlijkste glijer vindt, komt hij toch uit bij de lanspuntslang, de owroekoekoe. „Je vlees sterft af als je de beet niet behandelt en vaak moet dan een ledemaat worden afgezet.” Dan gaat hij op de punt van zijn stoel zitten: „Weet je wat het grootste gevaar in de jungle is?” Nou uh nee… „Een machete. Mensen weten vaak niet hoe ze moeten kappen en raken bij het uithalen dan hun expeditiegenoot.” Hij gaat voor naar de garage en legt daar tussen de grasmaaier en jassen de juiste technieken uit. En zorg dat je eelt in je handen krijgt. Ga roeien.”

De komende week vertrekken we. Haren geknipt, eelt in de handen, de rugzak vol met noodzaak. De Juliana-top wacht en daagt stilzwijgend uit. De vraag is nu nog wie wint. Vier Nederlanders gaan, zien en keren hopelijk heelhuids terug met een onuitwisbare herinnering.

Slider-Hammink_kantoor

Klik om naar alle foto’s uit deze reportage te gaan

 

Bron: Telegraaf
Download artikel

Lees ook Groeten uit het enge bos
Lees ook Duivelsei ontmaagd